Dwangakkoord na buitengerechtelijk traject: wanneer is niets iets?
Blog
Een buitengerechtelijk akkoord berust op contractsvrijheid: een schuldeiser mag volledige betaling verlangen. Artikel 287a Faillissementswet doorbreekt dat uitgangspunt als een schuldeiser onredelijk weigert. Rechtbank Den Haag liet op 24 november 2025 zien dat zelfs een nulaanbod kan worden opgelegd (ECLI:NL:RBDHA:2025:22704). Het met dwang laten opleggen van een nulaanbod lukt alleen als het dossier controleerbaar uitwijst dat er structureel geen afloscapaciteit is en de wettelijke schuldsanering (WSNP) geen beter resultaat oplevert. Deze uitspraak is relevant voor schuldhulpverleners en procesadvocaten: nul procent is geen “makkelijk” aanbod, maar een bewijsconstructie.
Een minnelijk schuldeisersakkoord is in beginsel vrijwillig: schuldeisers mogen volledige betaling verlangen. Artikel 287a Faillissementswet biedt echter voor een natuurlijk persoon in de context van een WSNP-akkoord een correctiemechanisme voor het geval één of enkele schuldeisers een regeling blokkeren, terwijl dat in de gegeven omstandigheden niet redelijk is. In dit blog bespreken wij Rb. Midden-Nederland 19 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6777 en plaatsen die uitspraak naast een recente beslissing van de rechtbank Den Haag over een nulaanbod: Rb. Den Haag 24 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22704.
1. Het juridisch kader: twee voorwaarden en een belangenafweging
De rechter wijst een verzoek op grond van artikel 287a Fw alleen toe als (i) de schuldbemiddeling door een bevoegde en onafhankelijke instantie is uitgevoerd, en (ii) na belangenafweging blijkt dat de weigering van de schuldeiser in de concrete omstandigheden onredelijk is. Die tweede stap is meestal beslissend en hangt sterk af van het alternatief als het akkoord mislukt (in het geval van een artikel 287a Fw-verzoek: de WSNP voor de schuldenaar), de mate waarin het aanbod het maximaal haalbare is en de kwaliteit van de onderbouwing.
In onderhavige uitspraak is sprake van een artikel 287a-akkoord. Eén schuldeiser stemt niet in, terwijl de schuldenaar en de instemmende schuldeisers belang hebben bij afronding van een buitengerechtelijke regeling. De rechtbank legt de nadruk op de vergelijking met het wettelijke traject en komt tot het oordeel dat de schuldeiser in de omstandigheden van het geval niet in redelijkheid mocht weigeren. Het bevel tot instemming wordt toegewezen.
Voor de praktijk is deze uitspraak vooral relevant omdat zij laat zien hoe sterk het oordeel van de rechtbank kan leunen op het alternatieve scenario: als aannemelijk is dat de WSNP geen beter resultaat biedt (of zelfs slechter uitpakt door kosten en vertraging), dan verschuift het zwaartepunt naar proportionaliteit. Het gaat dan niet om de vraag of de schuldeiser principieel mag vasthouden aan 100% (dat mag), maar of het belang bij die houding in dit specifieke geval nog opweegt tegen het collectieve belang bij uitvoering van een realistisch en zorgvuldig opgebouwd akkoord.
2. Vergelijking met nulaanbod: bevestiging, nuance en afwijzing
De onderhavige uitspraak staat niet op zichzelf. De uitspraak Rb. Den Haag 24 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22704 is een nuttige parallel, juist omdat het een nulaanbod betreft. Het ging om een schuldenaar met een totale schuldenlast van EUR 5.770,91 verdeeld over vijf schuldeisers. Met hulp van schuldhulpverlening van de gemeente Den Haag is een schuldregeling aangeboden waarbij aan schuldeisers 0% werd aangeboden tegen kwijtschelding van de vorderingen. Twee schuldeisers weigerden: een schuldeiser met een relatief kleine vordering en de verhuurder van de schuldenaar met een groter aandeel.
De kern van de beslissing ligt in de vaststelling dat het nulaanbod hier het maximaal haalbare was. De schuldenaar ontving een Participatiewetuitkering, had geen afloscapaciteit en was door de gemeente vrijgesteld van de sollicitatieplicht. De rechtbank neemt bovendien expliciet mee dat uit een medisch rapport en overige medische documentatie volgt dat er op dat moment geen benutbare arbeidsmogelijkheden waren en dat niet aannemelijk is dat de schuldenaar binnen afzienbare termijn kan gaan werken.
Voor de belangenafweging is vervolgens van belang dat in de WSNP evenmin een uitkering aan schuldeisers te verwachten is, terwijl toepassing van de WSNP wel kosten genereert die het resultaat drukken. Daarnaast betoogde de verhuurder, dat de woning niet netjes was achtergelaten; de rechtbank achtte aannemelijk dat dit samenhing met psychische problematiek van destijds en dat die problematiek inmiddels onder controle was. De weigering werd daarom onredelijk geacht en de rechtbank beval instemming; het WSNP-verzoek werd afgewezen omdat het dwangakkoord werd toegewezen.
Samen laten ECLI:NL:RBMNE:2025:6777 en ECLI:NL:RBDHA:2025:22704 zien dat de uitkomst van een artikel 287a-procedure in hoge mate wordt bepaald door de controleerbaarheid van het alternatief en de onderbouwing van (on)mogelijkheden om meer te bieden. In ECLI:NL:RBDHA:2025:22704 werd een nulaanbod acceptabel geacht omdat medische beperkingen en vrijstelling van sollicitatieplicht inzichtelijk waren gemaakt en de WSNP geen toegevoegde waarde had. In ECLI:NL:RBMNE:2025:6777 werkt dezelfde logica: een dwangakkoord wordt eerder toegewezen als het akkoord aantoonbaar niet slechter is dan het wettelijke traject en de weigering van de crediteur vooral blokkerend uitpakt.
Daarmee tekent zich ook de schaduwzijde af: waar de afloscapaciteit stijgt, waar medische of arbeidskundige onderbouwing ontbreekt of waar een prognose-aanbod meer voor de hand ligt, zal de rechter sneller concluderen dat niet het uiterste is aangeboden en blijft weigering eerder redelijk (vgl. onder meer Rb. Rotterdam 30 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13973 en Rb. Oost‑Brabant 30 oktober 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7881).
3. Conclusie
Wie een buitengerechtelijk dwangakkoord voorbereidt of ermee wordt geconfronteerd doet eraan verstandig zich te richten op de onderliggende methodiek van het akkoord: een transparante VTLB- en afloscapaciteitsanalyse, een reële vergelijking met de WSNP (inclusief kosten en timing) en, waar relevant, objectieve medische/arbeidskundige onderbouwing. Dat is precies het type onderbouwing waarop rechtbanken hun proportionaliteitsoordeel in artikel 287a-zaken bouwen.
Voor de praktijk volgt daaruit één hoofdles. Een nulaanbod is alleen publicabel en procesbestendig als het dossier de rechter in staat stelt de maximaliteit zonder giswerk vast te stellen en de WSNP-vergelijking inhoudelijk te maken.
Keywords
Auteur(s)

