Misbruik turboliquidatie onder de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie leidt tot bestuurdersaansprakelijkheid
Blog
Schuldeisers van een vennootschap kunnen benadeeld worden indien de bestuurder van die vennootschap misbruik maakt van een turboliquidatie. In de hierna te bespreken uitspraak meende de schuldenaar – in afwachting van een veroordelend vonnis – te kunnen ontbinden op grond van artikel 2:19 lid 4 BW, zodat zij per omgaande niet meer bestond. Voorafgaand daaraan was de balans ‘geleegd’ door verkoop van de activa. Daarover is vervolgens geen, althans geen deugdelijke, verantwoording afgelegd. De benadeelde schuldeiser laat het daar niet bij zitten en vordert dat de bestuurders van de schuldenaar worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die zij door de handelswijze van de schuldenaar heeft geleden. De belangen van de schuldeiser hierin worden gewaarborgd door de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie.
Inleiding
Turboliquidatie houdt in dat een rechtspersoon automatisch ophoudt te bestaan als deze op het tijdstip van de ontbinding geen baten meer heeft. In de praktijk bestonden lange tijd zorgen over misbruik van de turboliquidatie, met name in die gevallen waarin de rechtspersoon ophoudt te bestaan met achterlating van schulden. Zo kon de turboliquidatie vóór invoering van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie door malafide bestuurders worden gebruikt als ware zij een vluchtstrook: een uitweg om onder toezicht, vereffening en verantwoording uit te komen. De Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie roept een halt toe aan het misbruik door de transparantie te vergroten en de rechtsbescherming van schuldeisers te verbeteren (Kamerstukken II 2021/22, 36172, 3, p. 1). Dat de waarborgen van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie effectief kunnen zijn, blijkt onder meer uit de hieronder te bespreken uitspraak van de rechtbank Rotterdam.
De achtergrond
Aan deze uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2026 liggen de volgende feiten ten grondslag. In juni 2020 draagt Holding haar aandelen in het kapitaal van Forza Unita B.V. over aan Bedrijf 2. In die koopovereenkomst komen partijen overeen dat de bestuurder van Holding vanaf de levering van de aandelen één dag per week beschikbaar zal zijn voor de onderneming tegen betaling van een maandelijkse beloning van € 2.500,- te voldoen door Bedrijf 2 aan Holding. Bedrijf 2 laat echter sinds oktober 2022 na de beloning te betalen. Holding vordert daarom bij dagvaarding van 31 maart 2023 in rechte nakoming van de koopovereenkomst. Tijdens de mondelinge behandeling op 27 juni 2024 heeft Bedrijf 2 een wrakingsverzoek ingediend. Het wrakingsverzoek wordt op 21 augustus 2021 afgewezen.
Ná de mondelinge behandeling, maar vóór het veroordelende vonnis van de rechtbank wordt Bedrijf 2 op 30 augustus 2024 met toepassing van artikel 2:19 lid 4 BW ontbonden. Op 13 september 2024 ontvangt de Kamer van Koophandel de ontbindingsformulieren. Voorafgaand aan de turboliquidatie zijn de activa van Bedrijf 2 verkocht en is de koopprijs kennelijk aangewend om schuldeisers selectief te betalen. Holding was hier niet van op de hoogte gesteld. Niet veel later, namelijk op 25 september 2024, wordt Bedrijf 2 veroordeeld tot betaling van € 42.350,00 aan Holding. Echter, als gevolg van de turboliquidatie bood Bedrijf 2 geen verhaal meer voor de vordering van de Holding uit hoofde van het veroordelende vonnis van de rechtbank. De Holding vordert daarom dat gedaagden (als middellijk bestuurders van Bedrijf 2) worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de Holding heeft geleden door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van haar vordering.
Standpunten over en weer
Holding spreekt gedaagden aan in hun hoedanigheid van middellijk bestuurders van Bedrijf 2. Gedaagden zouden namelijk op ernstige wijze verhinderd hebben dat Bedrijf 2 aan haar verplichtingen jegens haar voldeed. Holding legt daaraan het volgende ten grondslag: gedaagden zouden de incasso van de vordering moedwillig hebben vertraagd; gedaagden zouden geen transparantie hebben betracht over de vermogenstoestand van Bedrijf 2; én gedaagden zouden misbruik hebben gemaakt van de turboliquidatie. Op grond daarvan kan gedaagden een ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt, aldus Holding.
Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Holding, dan wel tot afwijzing van de vorderingen. Volgens gedaagden zou Holding namelijk geen recht op schadevergoeding hebben, omdat niet Holding maar de bestuurder van Holding schade heeft geleden.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank staat stil bij de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie (hierna: de ‘Tijdelijke wet’). Sinds de Tijdelijke wet is één van de wettelijke vereisten voor turboliquidatie het deponeren van een beschrijving over de oorzaak van het ontbreken van baten op het tijdstip van de ontbinding en – indien aan de orde – de wijze waarop de baten van de rechtspersoon te gelde zijn gemaakt en de opbrengsten zijn verdeeld. Bovendien moet na deponering onverwijld een schriftelijke mededeling aan schuldeisers worden gedaan. Volgens de rechtbank beoogt de Tijdelijke wet hierdoor misbruik van de turboliquidatie te voorkomen. Dat zou tevens aansluiten bij de wetsgeschiedenis van de Tijdelijke wet. Daaruit volgt namelijk dat als er een feitelijke vereffening voorafgaand aan de ontbinding heeft plaatsgevonden, inzichtelijk moet worden gemaakt welke baten aanwezig waren, voor welk bedrag deze baten te gelde zijn gemaakt en hoe de opbrengsten zijn verdeeld. De rechtbank merkt – wat ons betreft terecht – op dat dit voor schuldeisers relevante informatie is.
De rechtbank gaat vervolgens in op de vraag of de gedaagden als middellijk bestuurders van Bedrijf 2 een verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank stelt voorop dat naast aansprakelijkheid de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond kan zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. De bestuurder moet in dat geval wel een voldoende ernstig verwijt worden gemaakt als bedoeld in artikel 2:9 BW. De rechtbank past hierbij de maatstaf van het externe bestuurdersaansprakelijkheidsrecht toe (r.o. 5.2), ontleend aan HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen). Artikel 2:9 BW wordt in de uitspraak slechts aangehaald als onderdeel van de omschrijving van de zorgplicht, niet als zelfstandige grondslag.
De rechtbank concludeert dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de schade die Holding heeft geleden, omdat de vereiste transparantie niet is betracht. De rechtbank legt daaraan het volgende ten grondslag.
Uit de bij het Handelsregister ingediende 17a-formulier volgt dat Bedrijf 2 haar activiteiten en goodwill op 1 juli 2023 – en dus nádat Bedrijf 2 in rechte werd betrokken door Holding – heeft overgedragen aan een ‘samenwerkingspartner’. De bestuurders hadden rekening moeten houden met een mogelijk veroordelend vonnis, aldus de rechtbank. Temeer gelet op de afwijzing van het wrakingsverzoek op 21 augustus 2024. Nu gedaagden hier geen rekening mee hebben gehouden, wijst dit volgens de rechtbank op betalingsonwil. Bovendien hadden gedaagden ingevolge artikel 2:19b lid 2 BW onverwijld mededeling van de deponering moeten doen aan de Holding. Dat hebben gedaagden nagelaten. Aan de wettelijke vereisten zoals voorgeschreven door de Tijdelijke wet is aldus niet voldaan. Gedaagden verklaren voorts dat de koopprijs is aangewend om de onderneming te kunnen voortzetten, maar dat zij niet meer weten wat de hoogte van de koopprijs was. Deze verklaring strookt niet met de inhoud van het ontbindingsbesluit. Daarin staat niets over een verkoop aan een samenwerkingspartner. Wel staat er in het ontbindingsbesluit dat de activiteiten van Bedrijf 2 reeds sinds 2023 zijn gestaakt en dat er vrijwel geen sprake is van omzet. Dat roept (terecht) vragen op bij de rechtbank over de gestelde verkoop aan de samenwerkingspartner.
Tijdens de mondelinge behandeling blijkt verder dat Bedrijf 2 wél huurpenningen betaalde aan een aan de bestuurders gelieerde vennootschap, terwijl de vordering van Holding onbetaald bleef.
Alles tezamen, alsook het tijdsverloop, leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de bestuurders zodanig onzorgvuldig met de belangen van Holding als schuldeiser zijn omgegaan dat hen daarvan ook een ernstig verwijt te maken is. Daarom zijn de bestuurders aansprakelijk voor de schade die Holding heeft geleden.
Opmerkingen van redacteurs
Voor de praktijk is het goed om de wettelijke vereisten van de Tijdelijke wet serieus te nemen, zodat de beoogde transparantie daadwerkelijk wordt geboden. Een algemene mededeling over de verkoop van de activa volstaat daarin niet: de bestuurders moeten beschrijven aan wie, voor welke koopprijs en op welk moment is verkocht. Bovendien moet verantwoording worden afgelegd over welke vorderingen vervolgens (gedeeltelijk) zijn voldaan en welke niet alsook de daaraan achterliggende overwegingen. Dit vonnis geeft meer concrete informatie over hoe concreet de vragen van de 17a-formulieren moeten worden beantwoord.
Keywords
Auteur(s)
Advocaat Financiering, zekerheden en insolventie bij Holla Legal & Tax en daarnaast regelmatig aangesteld als curator in faillissement

Legal Assistant Financiering, zekerheden en insolventie bij Holla Legal & Tax