09 Jul 2026
blog

Geen faillissement na turboliquidatie, ook niet na aanbod boedelkrediet

Blog

Op 16 juni 2026 oordeelde de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2026:3353) over het verzoek om het faillissement van een reeds ontbonden vennootschap uit te spreken. Volgens de aanvrager van het faillissement zou de ontbonden vennootschap de op haar rustende verplichting uit artikel 2:19b lid 1 BW niet in acht hebben genomen, waardoor voorshands – behoudens tegenbewijs – aangenomen mocht worden dat er nog baten aanwezig waren. Volgens de aanvrager was bovendien sprake van onrechtmatig selectieve betalingen en paulianeus handelen. De vennootschap voerde daartegen verweer. De rechtbank wees het verzoek tot faillietverklaring af.

Inleiding

 

Bedrijf 1 (hierna ‘Verzoekster’) heeft bodemsaneringswerkzaamheden verricht in opdracht van Bedrijf 3 (hierna: ‘Verweerster’). Na uitvoering en oplevering heeft Verweerster diverse door Verzoekster verstuurde facturen onbetaald gelaten. Verweerster informeert Verzoekster vervolgens per brief dat zij in financieel zwaar weer verkeert en doet om die reden een saneringsvoorstel ter zake het nog openstaande bedrag op grond van de facturen. Verzoekster aanvaardt het voorstel niet. Kort daarna wordt Verweerster via turboliquidatie ontbonden en uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

 

Standpunten over en weer

 

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat Verweerster de verplichting ex artikel 2:19b lid 1 BW niet in acht heeft genomen, waardoor voorshands – behoudens tegenbewijs – aangenomen mag worden dat er nog baten zijn. Artikel 2:19b lid 1 BW houdt een verantwoordings- en mededelingsverplichting in voor de te ontbinden vennootschap. Aan het niet voldoen aan deze verplichting zijn de volgende drie wettelijke gevolgen verbonden:

  1. schuldeisers verkrijgen een wettelijk inzagerecht (art. 2:24 lid 4 BW);
  2. de rechtbank kan een bestuursverbod opleggen aan de bestuurder (art. 2:19c BW);
  3. er is sprake van een economisch delict waarop sancties kunnen volgen (art. 1 onder 4 WED).

De rechtbank Midden-Nederland oordeelde bovendien op 24 februari 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:1049 (HERO 2026 / N-012) dat schending van de verplichting ex artikel 2:19b BW met zich meebrengt dat voorshands, behoudens tegenbewijs, aannemelijk is dat er nog baten te verdelen zijn. Verzoekster beroept zich in deze uitspraak kennelijk op dit bewijsvermoeden.

 

Verzoekster stelt zich voorts op het standpunt dat er sterke aanwijzingen zijn voor onrechtmatig selectieve betalingen dan wel paulianeus handelen. Verzoekster onderbouwt dat als volgt. De aan de bestuurder van Verweerster gelieerde vennootschappen hebben vlak voor de ontbinding hun vorderingen sterk zien afnemen. Dat duidt volgens Verzoekster op een onrechtmatig selectieve betaling die de curator kan onderzoeken en terugvorderen. Dat zou een potentiële bate opleveren, aldus Verzoekster. Bovendien zou de jaarrekening over boekjaar 2022 niet tijdig zijn gedeponeerd, waardoor sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en vermoed wordt dat dit kennelijk onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement was op grond van artikel 2:394 BW jo. artikel 2:248 lid 2 BW. Ook dit levert volgens Verzoekster een potentiële bate op, nu het bestuur van Verweerster op grond daarvan aansprakelijk kan zijn voor het boedeltekort.

 

Verzoekster gaat nog verder en geeft aan bereid te zijn de kosten van de curator voor diens werkzaamheden te vergoeden door een boedelkrediet beschikbaar te stellen. Verzoekster had kennelijk belang bij het onderzoek van een curator naar de vereffening die aan de turboliquidatie voorafging. Verzoekster heeft met dit concrete financieringsaanbod waarschijnlijk willen voorkomen dat de rechtbank tot het oordeel zou komen dat zij misbruik zou maken van haar bevoegdheid, zodat dit tot een afwijzing van het verzoek op die grondslag had geleid (zie in dat kader bijvoorbeeld ook: Gerechtshof Den Haag, 13 februari 2024, (ECLI:NL:GHDHA:2024:227 (HERO 2024 / P-019)). Hiervan kan immers sprake zijn als een faillissement wordt verzocht, terwijl sprake is van een (nagenoeg) lege boedel en de aanvrager dat ook weet of behoort te weten, terwijl er geen gerechtvaardigd belang bestaat bij de aanvraag.

 

Verweerster voert verweer en stelt zich op het standpunt dat er geen baten zijn en dat deze evenmin te verwachten zijn. Verweerster licht toe op welke wijze de baten voorafgaand aan de ontbinding te gelde zijn gemaakt en hoe de opbrengsten zijn aangewend om schuldeisers te voldoen. Ook zouden de gelieerde vennootschappen niet hebben verdiend aan de vereffening, dat blijkt onder meer uit het feit dat de holding is achtergebleven met een hoge vordering uit hoofde van de rekening-courantverhouding met de reeds ontbonden vennootschap.

 

Overwegingen rechtbank

 

De rechtbank stelt voorop dat een ontbonden vennootschap in staat van faillissement kan worden verklaard, mits zij in een toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen én voldoende aannemelijk is dat er nog (potentiële) baten zijn.

 

Verweerster heeft erkend dat zij meerdere schuldeisers onbetaald heeft gelaten, waardoor volgens de rechtbank vast komt te staan dat sprake is van de toestand van opgehouden te betalen. Voor het uitspreken van het faillissement is echter ook vereist dat voldoende aannemelijk is geworden dat er nog (potentiële) baten aanwezig zijn. De rechtbank is van oordeel dat aan dat vereiste niet is voldaan en overweegt daartoe als volgt.

 

Verweerster heeft weersproken dat sprake zou zijn van een schending van artikel 2:19b lid 1 BW. Verweerster heeft een toelichting gegeven op de wijze waarop de baten voorafgaand aan de ontbinding te gelde zijn gemaakt en de opbrengsten zijn verdeeld. De rechtbank acht deze toelichting voldoende om het bewijsvermoeden te weerleggen.

 

Wat betreft de door Verzoekster gestelde onrechtmatig selectieve betalingen overweegt de rechtbank dat Verzoekster onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat de betalingen aan gelieerde vennootschappen kwalificeren als onrechtmatig selectief dan wel paulianeus. De enkele omstandigheid dat vorderingen van gelieerde vennootschappen vlak voor de ontbinding zijn afgenomen, is onvoldoende om een potentiële bate uit dien hoofde aannemelijk te achten.

 

Ten aanzien van het niet tijdig deponeren van de jaarrekening overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat een jaarrekening te laat is gedeponeerd onvoldoende is om te spreken van bestuurdersaansprakelijkheid. Aanvullend is immers vereist dat de te late deponering een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. En hoewel er een bewijsvermoeden bestaat, is dat op zichzelf voor de rechtbank blijkbaar onvoldoende.

 

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af.

 

Opmerkingen van de redacteurs


Deze uitspraak is interessant in vergelijking met het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:1802). In die zaak ging het om het verzoek om het faillissement van een vennootschap, die eerder was turbogeliquideerd en ontbonden, te vernietigen. Volgens de aanvragers van het faillissement zouden er mogelijk nog baten zijn (geweest) in de ontbonden vennootschap vanwege onrechtmatig selectieve betalingen en onbehoorlijk bestuur. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigt onder andere op die gronden het faillissementsvonnis. Over deze uitspraak schreven wij reeds een blog (HERO 2025 / B-027).

 

Het verschil in uitkomst zit in de onderbouwing. In de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de curator in het faillissementsverslag concrete potentiële baten geïdentificeerd en slaagde verweerster er niet in dit gemotiveerd te weerspreken. Het verschil illustreert – hoewel niet nieuw – dat de slagingskans van een faillissementsverzoek na turboliquidatie in belangrijke mate afhangt van de wijze waarop de aanwezigheid van (potentiële) baten wordt onderbouwd. Is dat onvoldoende, dan slaagt het faillissementsverzoek (vaak) niet.

Keywords

Baten
Boedelkrediet
Faillissement
Misbruik
Turboliquidatie

Auteur(s)

Rowie Florijn

Advocaat Financiering, zekerheden en insolventie bij Holla Legal & Tax en daarnaast regelmatig aangesteld als curator in faillissement

LinkedIn

Awa Farboud Sheshdeh

Advocaat Financiering, zekerheden en insolventie bij Holla Legal & Tax

LinkedIn