12 May 2025
blog

Van hard naar hart: versoepelingen in het fiscale kwijtscheldingsbeleid?

Blog

Ondanks het bestaan van kwijtscheldingsbeleid, ondervindt de ondernemer die een verzoek tot kwijtschelding indient bij de Belastingdienst nog regelmatig praktische problemen. Hoewel de uitgangspunten van het beleid en voorwaarden voor kwijtschelding begrijpelijk lijken, laat de formulering ruimte voor (verschillende) interpretatie. Ook vergt het voorzetten van de onderneming soms meer dan waarvoor ruimte lijkt te bestaan conform beleid. Denk daarbij aan het (gerechtvaardigd) uitzonderen en betalen van bepaalde crediteuren alsook de liquiditeit en tijd waarbinnen een akkoordbedrag voldaan dient te zijn.

Motie Van Eijk

 

Op 1 april 2025 heeft de Tweede Kamer de motie Van Eijk aangenomen inzake het bieden van maatwerk voor ondernemers met coronabelastingschulden en het informeren van de Kamer over de voortgang hiervan. Van Oosterbruggen (staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane) beschouwde deze motie als afgedaan, aangezien de Kamer periodiek wordt geïnformeerd over de uitvoering van beleid door de Belastingdienst.

 

Dat dit niet als afdoende werd beschouwd, blijkt uit het feit dat er opnieuw kamervragen zijn gesteld door Van Eijk en Kisteman over het voorkomen dat gezonde bedrijven onnodig failliet gaan en over het bieden van maatwerk door de Belastingdienst. In zijn brief d.d. 1 mei 2025 heeft Van Oosterbruggen deze vragen grotendeels beantwoord.

 

Voorgenomen beleidsaanpassingen

 

Reeds voordat er kamervragen werden gesteld, is er zowel binnen het ministerie van Financiën als binnen de Belastingdienst een werkgroep zijn ingericht, die – op basis van in- en externe signalen – beleidsaanpassingen signaleert en beoordeelt. Inmiddels is gebleken dat daar behoefte aan bestaat én dat twee beleidsaanpassingen per 1 juli 2025 haalbaar blijken, zo geeft Van Oosterbruggen aan.

 

Dat betreft (I) verduidelijking van het beleid met betrekking tot dwangcrediteuren, en (II) de termijn waarbinnen een akkoordbedrag moet worden betaald. Op deze punten zal het beleid, neergelegd in o.a. Leidraad Invordering 2008 (hierna: ‘LI’), worden aangepast.

 

Dwangcrediteuren: ‘aannemelijk maken’

Uit de beantwoording door Van Oosterbruggen volgt dat het grootste knelpunt bij saneringen wordt gevormd door de concurrente crediteuren. Daarmee lijkt de staatssecretaris te doelen op het vereiste dat op grond van de fiscale wet- en regelgeving, waaronder LI en Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, de Belastingdienst (Ontvanger) uitsluitend kwijtschelding kan verlenen indien dit geschiedt in het kader van een akkoord met álle schuldeisers. Dat is slechts anders indien sprake is van een uitzondering, expliciet opgenomen in artikel 26.3.8 LI. Onder deze uitzondering begrepen de ‘dwangcrediteuren’: leveranciers die niet bereid zijn aan een akkoord mee te werken terwijl de onderneming zonder hen niet verder kan werken.

 

Wat mij betreft ligt het voor de hand aan te nemen dat de ondernemer de vorenbedoelde groep crediteuren graag zo ruim mogelijk uitlegt. Op die manier kan een grote(re) groep crediteuren gerechtvaardigd buiten het akkoord worden gelaten, zonder de haalbaarheid van enig akkoord aan te tasten. Op die manier blijft de financiële kwetsbaarheid van de onderneming van de schuldenaar onbekend en worden negatieve gevolgen van een voorgenomen akkoord gemitigeerd. Dit ondernemersverlangen staat echter haaks op de bedoeling van het beleid en de beoordeling hiervan door de Belastingdienst. Toch zijn er omstandigheden denkbaar die zouden moeten nopen tot uitzondering of een ruimere beleidsopvatting. Ondernemers vrezen een afwijzing zodra ze crediteuren moeten aanschrijven en dat zou onmiddellijk een akkoord doorkruisen.

 

Volgens Van Oosterbruggen is in het beleid niet voorgeschreven dat de dwangcrediteur aangeschreven dient te worden en/of kenbaar moet hebben gemaakt geen medewerking aan een akkoord te willen verlenen. Hoewel hij het praktische probleem van aanschrijven niet zegt te herkennen in de praktijk, onderschrijft hij dat deze voorwaarde in artikel 26.3.8 LI zou kunnen worden gelezen. Om die reden is hij – desalniettemin – van oordeel dat het beleid op dit punt verheldering behoeft.

 

In artikel 26.3.8 LI zal worden verduidelijkt dat de Ontvanger een crediteur als dwangcrediteur kan aanmerken als het aannemelijk is dat deze crediteur niet bereid is mee te werken aan een saneringsakkoord, terwijl zonder de betrokkenheid van deze crediteur de voortzetting van de onderneming in gevaar komt. Het is aan de schuldenaar om dit bewijs te leveren, door het overhandigen van een afwijzing óf dit op andere wijze aan te tonen. Ik kan mij overigens lastig voorstellen hoe je ‘op andere wijze’ dan een afwijzing dit voldoende aannemelijk kunt maken. In ieder geval is het aan de Ontvanger om het aangeboden bewijs als voldoende te kwalificeren.

 

Bovendien zal in artikel 26.3.8 LI de term ‘leverancier’ worden vervangen door ‘handelscrediteur’. Deze verduidelijking lijkt mij meer recht te doen aan de groep diverse ondernemers in het herstructureringslandschap.

 

Verlengde betalingstermijn

Tot uitgangspunt heeft te gelden dat een akkoordbedrag in beginsel ineens betaald dient te worden. Slechts onder voorwaarden kan hiervoor een betalingsregeling worden overeengekomen, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het uitstelbeleid in LI, te weten maximaal twaalf (12) maanden.

 

Volgens Van Oosterbruggen zorgt deze termijn voor inzicht in het feit of tot een fiscale sanering kan worden gekomen en bovendien kan voor een dergelijke termijn een betrouwbare prognose worden gemaakt. Van Oosterbruggen meent dat de crediteuren, waaronder de Ontvanger, daarmee dus een zekere vorm van zekerheid verkrijgen over de haalbaarheid en nakoming van een akkoord. Het verlengen van deze termijn zou tot onzekerheden leiden.

 

Desalniettemin blijkt uit de praktijk een andere behoefte, namelijk tot een langere betalingstermijn. Daarom bestaat het voornemen om per 1 juli 2025 een wijziging aan te brengen in LI, door expliciet op te nemen dat een betalingsregeling met een langere termijn (dan 12 maanden) tot de mogelijkheden behoort. Wel zal de schuldenaar aannemelijk moeten maken dat de termijn van twaalf maanden te kort is om hieraan te voldoen én moeten aantonen dat de betaling van het akkoordbedrag voldoende is gewaarborgd. De staatssecretaris heeft er bewust voor gekozen geen maximumtermijn op te nemen in het aritkel. Hij benadrukt dat het telkens zal gaan om maatwerk. Ik vermoed echter dat hiervan bewust wordt afgezien, om te voorkomen dat ondernemers zich op een maximumtermijn in beleid zullen beroepen. Overigens lijkt mij dat een onterechte vrees, nu de ondernemer in alle gevallen moet aantonen dat de termijn van 12 maanden te kort is om na te komen.

 

Praktische uitdagingen

 

Met de beschreven beleidsaanpassingen wordt niet tevens voorzien in oplossingen voor andere praktische bezwaren. Denk bijvoorbeeld aan het aanschrijven van een grote groep crediteuren, het administreren van reacties van crediteuren, het (telkens) overleggen van deze reacties, en – niet te vergeten – de mogelijke operationele gevolgen van een dergelijke kennisgeving aan crediteuren. De staatssecretaris volstaat in zijn brief met de opmerking dat de signalen hieromtrent nauwlettend in de gaten worden gehouden. Gezien het stringente uitstel- en kwijtscheldingsbeleid, moet iedere kans op concurrentieverstoring worden voorkomen. Dat vergt het een en ander van de schuldenaar, aldus Van Oostenbruggen.

 

WHOA

 

De staatsecretaris lijkt er evenmin voor te voelen om te antwoorden op de vraag of het huidige fiscale kwijtscheldingsbeleid meer in lijn kan worden gebracht met het beleid onder de WHOA. Volgens Van Oostenbruggen stelt de WHOA (lees: de bepalingen in de Fw) eigen voorwaarden aan een akkoord. Bovendien zullen signalen uit de praktijk nauwlettend in de gaten worden gehouden. Mijns inziens zou hier nog wel ‘te winnen’ zijn, aangezien het in de praktijk meer dan eens voorkomt dat de Belastingdienst in een informeel traject niet kan instemmen vanwege haar eigen beleid en daardoor een WHOA gestart moet worden, waarbij zij vervolgens wel kan instemmen of gebonden wordt aan een (gehomologeerd) akkoord.

 

Wie weet lezen we daarover meer in een volgende brief van de staatssecretaris.

Keywords

Betalingstermijn
Dwangcrediteur
Fiscale kwijtschelding
Kamervragen
Versoepeling beleid

Auteur(s)

Charlotte Crombag

is senior advocaat en herstructureringsdeskundige bij Marxman Advocaten

LinkedIn