Verenigingsbestuurders hebben onbehoorlijk bestuurd, maar kunnen zich met succes disculperen
Blog
In een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 maart 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:7266) (gepubliceerd op 30 oktober 2025) wordt beoordeeld of acht bestuurders van een gefailleerde amateurvoetbalvereniging aansprakelijk zijn voor het boedeltekort. De curator van de vereniging voert voor het bestaan van voornoemde bestuurdersaansprakelijkheid aan dat de bestuurders te grote financiële risico’s hebben genomen doordat zij zonder nader onderzoek uitvoering hebben gegeven aan een begrotingsplan dat door een van de bestuurders is gepresenteerd. Wat was er aan de hand?
Achtergrond
Vanaf het seizoen 2017/2018 kampte een kleine amateurvoetbalvereniging met verliezen. Eind 2018/begin 2019 heeft een van de verenigingsbestuurders, de toenmalige bestuursvoorzitter, een begrotingsplan gepresenteerd om de vereniging weer financieel te laten floreren. De realisatie van dat plan steunde (grotendeels) op sponsorgelden waarmee grote investeringen mogelijk zouden zijn, een en ander met het doel binnen 15 jaar in de top van het Nederlands amateurvoetbal te spelen. De toenmalige bestuursvoorzitter heeft daarbij toegezegd dat de vereniging bepaalde sponsorgelden zou ontvangen. In 2019 is met allerlei uitgaven en het aangaan van verplichtingen uitvoering gegeven aan het plan, waardoor bij de vereniging grote financiële problemen ontstonden die weer tot grotere problemen hebben geleid vanwege het uitblijven van een groot deel van de toegezegde sponsorgelden. Een en ander leidde tot het op non-actiefstellen en daarna aftreden van de bestuursvoorzitter. Daarbovenop kwam het stilleggen van de activiteiten van vereniging vanwege de COVID-19-overheidsmaatregelen. Dit heeft, na een korte surseance van betaling, tot het faillissement van de vereniging geleid.
Na een rechtsmatigheidsonderzoek door de curator, stelt hij de bestuurders op grond van artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW aansprakelijk wegens onbehoorlijk bestuur. Hij verwijt de bestuurders dat zij onverantwoord grote uitgaven hebben gedaan en grote verplichtingen zijn aangegaan terwijl zij wisten of behoorden te begrijpen dat de vereniging haar verplichtingen (daardoor) niet zou kunnen nakomen (m.a.w. een schending van de Beklamel-norm). Er was geen zekerheid dat de benodigde sponsorgelden zouden binnenkomen. Noemenswaardig is dat veel ingediende concurrente vorderingen zijn ingetrokken nadat bekend werd dat de curator het bestuur aansprakelijkheid heeft gesteld.
In de onderhavige procedure vordert de curator primair een verklaring voor recht dat de bestuurders aansprakelijk zijn voor het boedeltekort, alsmede een hoofdelijke veroordeling van de bestuurders tot betaling van dat tekort, nader op te maken bij staat en een hoofdelijke veroordeling tot betaling van een voorschot van € 100.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag. Subsidiair vordert de curator een veroordeling tot betaling van een specifiek bedrag als schadevergoeding. Uit de uitspraak kan niet worden opgemaakt hoe de curator tot dat bedrag is gekomen. Alle bestuurders, behalve de afgetreden bestuursvoorzitter, zijn in de procedure verschenen.
Beoordeling rechtbank
Na een uiteenzetting van de standaardrechtsregels met betrekking tot artikel 2:9 BW overweegt de rechtbank dat de curator de bestuurders terecht verwijt dat zij geen onderzoek hebben gedaan naar de haalbaarheid van de begroting, voordat zij het plan zijn gaan uitvoeren. Daarvoor wijst de rechtbank op onder andere de volgende omstandigheden. De begroting bestond uit twee pagina’s aan inkomsten en uitgaven, zonder enige onderbouwing. De bestuurders hebben niet onderzocht of de genoemde sponsors ook daadwerkelijk sponsorgelden hadden toegezegd, laat staan welke bedragen zijn toegezegd. Evenmin hebben zij gevraagd om inzage in de doorberekening van de begroting, die ex-bestuursvoorzitter volgens de bestuurders heeft laten maken. De bestuurders hebben, zo begrijpt de rechtbank, eenvoudigweg vertrouwd op de juistheid van de door ex-bestuursvoorzitter gegeven informatie. Gelet op het feit dat hij voor de bestuurders een onbekende was en er voor de uitvoering van zijn plannen aanzienlijke inkomsten nodig waren om deze te kunnen verwezenlijken, hadden de bestuurders niet zonder nader onderzoek naar de begrote (sponsor)inkomsten hun medewerking mogen verlenen aan de uitvoering van zijn plannen. Van de bestuurders had mogen worden verwacht dat zij enige vorm van zekerheid hadden gevraagd met betrekking tot de begrote inkomsten. Dat hebben zij niet gedaan en die zekerheid is ook niet gegeven. De rechtbank overweegt dat het aangaan van deze verplichtingen en het doen van deze uitgaven zonder dat daar voldoende inkomsten tegenover staan, kan worden aangemerkt als onbehoorlijk bestuur. Dit leidt tot collectieve bestuurdersaansprakelijkheid.
Alle bestuurders, behalve de niet verschenen ex-bestuursvoorzitter, hebben een beroep op disculpatie gedaan en stellen dat hen als individuele bestuurder geen ernstig verwijt van het onbehoorlijke bestuur kan worden gemaakt en dat zij niet nalatig zijn geweest in het nemen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijke bestuur af te wenden. De rechtbank honoreert het disculpatieberoep. Volgens de rechtbank is van belang dat het plan afkomstig is van de ex-bestuursvoorzitter en dat de begroting door hem is opgesteld. Hij is ook degene geweest die de meeste verplichtingen is aangegaan en de grootste uitgaven heeft gedaan. Pas op het moment dat de facturen binnenkwamen van de uitgaven waarvan de bestuurders dachten dat die gesponsord werden, werd duidelijk dat de door de ex-bestuursvoorzitter toegezegde sponsorgelden uitbleven. De rechtbank acht het alleszins begrijpelijk dat de bestuursleden er pas in september 2019 achter kwamen dat zijn toezeggingen niet werden nagekomen en de inkomsten daardoor de uitgaven niet dekten. Daar komt bij dat de bestuurders uitvoering hebben gegeven aan een plan dat de goedkeuring had van de algemene ledenvergadering, alsmede dat zij geen professionele bestuurders zijn maar vrijwilligers van een kleine amateurvoetbalvereniging.
Verder is gebleken dat de bestuurders maatregelen hebben genomen om te trachten het tij te keren. Zo hebben zij de verdere uitvoering van de plannen van de ex-bestuursvoorzitter on hold gezet, betalingsregelingen getroffen met een aantal schuldeisers, getracht sponsorgelden binnen te halen en activiteiten ontplooid die inkomsten opleverden. Alle bestuurders, behalve de niet verschenen ex-bestuursvoorzitter, kunnen zich dus disculperen.
De rechtbank gaat nog kort in op de door de curator tweede aangevoerde grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid (art. 6:162 BW (Peeters/Gatzen-vordering)). Dat wordt niet gevolgd, reeds omdat de curator onvoldoende gesteld heeft om tot de conclusie te kunnen komen dat de gezamenlijke schuldeisers zijn benadeeld.
Dan rest nog het bepalen van de hoogte van de schade waarvoor de ex-bestuursvoorzitter op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk is gesteld. De rechtbank volgt de curator niet in zijn standpunt dat die schade bestaat uit het boedeltekort. Bij de begroting van de schade knoopt de rechtbank op basis van een vermogensvergelijking aan bij de verplichtingen die zijn aangegaan door de ex-bestuursvoorzitter en die hebben geleid tot onbetaalde facturen, belastingschulden en schulden aan het UWV in verband met aangenomen werknemers en verder de andere schulden c.q. kosten die de vereniging niet zou hebben gehad als het onbehoorlijk bestuur was uitgebleven. Uiteindelijk wordt enkel de ex-bestuursvoorzitter veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van iets meer dan € 46.000.
Afrondende opmerkingen
Het is opmerkelijk dat de curator bestuurdersaansprakelijkheid voor het boedeltekort baseert op artikel 2:9 BW. Dit wetsartikel kan enkel bestuurdersaansprakelijkheid vestigen voor de schade die de vennootschap door het bestuurshandelen heeft geleden. Die schade is niet hetzelfde is als het boedeltekort in een faillissement. Artikel 2:50a lid 1 BW, dat artikel 2:138 lid 1 en 3 tot en met 10 BW van overeenkomstige toepassing verklaart voor de vereniging, vestigt onder bepaalde omstandigheden hoofdelijke aansprakelijkheid van verenigingsbestuurders voor het boedeltekort. De rechtbank overweegt terecht dat de schade waarvoor de ex-bestuurder op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk is, niet bestaat uit het boedeltekort. Daarbij geeft de rechtbank nog aan dat de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat het onbehoorlijk bestuur heeft geleid tot het faillissement. Hier wordt mijns inziens niet bedoeld dat artikel 2:9 BW een grondslag kan zijn voor aansprakelijkheid voor het boedeltekort als het onbehoorlijk bestuur heeft geleid tot het faillissement. Mijns inziens bedoelt de rechtbank dat de curator onvoldoende heeft gesteld voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:50a BW (vgl. art. 25 Rv inzake het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden door de rechter). Overigens spreekt artikel 2:138 BW over kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en niet over onbehoorlijk bestuur.
Met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 2:138 BW op verenigingen maak ik nog de volgende afrondende opmerkingen. In dit geval is het faillissement van de vereniging uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (Wbtr) per 1 juli 2021. Hierdoor kan de curator geen beroep doen op het nieuwe art. 2:50a BW, maar enkel op het oude artikel 2:50a BW. Het oude artikel 2:50a BW bepaalt dat artikel 2:138 BW enkel van toepassing is op verenigingen waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte (formele verenigingen) die zijn onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting (vbp). Met de inwerkingtreding van de Wbtr geldt artikel 2:138 lid 1 BW via de schakelbepaling van het nieuwe artikel 2:50a BW voor alle verenigingsbestuurders, dus ongeacht of het een formele vereniging betreft en ongeacht of de vereniging is onderworpen aan de heffing van de vbp. De bewijsvermoedens van artikel 2:138 lid 2 BW gelden echter enkel voor formele verenigingen die aan de heffing van de vbp zijn onderworpen of verenigingen die bij of krachtens de wet verplicht zijn een financiële verantwoording op te stellen die gelijk of gelijkwaardig is aan een jaarrekening, zie artikel 2:50a lid 2 BW.
Keywords
Auteur(s)
