Conclusie A-G over (wel of geen) hoorplicht voor gefailleerde en schuldeisers bij salarisvaststelling van curator
Blog
In een conclusie van 6 februari 2026 gaat A-G Snijders in op de vraag of de gefailleerde en de schuldeisers moeten worden gehoord over de salarisvaststelling van de curator. In de procedure die tot deze conclusie heeft geleid, hebben de gefailleerde en een schuldeiser van de gefailleerde cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag waarin een voorschot op het salaris van de curator (ca. € 155.000) is vastgesteld. De rechtbank heeft die beschikking gewezen zonder gefailleerde of de schuldeiser(s) te horen. Hoe kijkt de A-G hier tegen aan?
Cassatieklachten
De cassatieklachten houden onder meer in dat de rechtbank verzoekers ten onrechte niet hebben gehoord, althans hen niet behoorlijk heeft opgeroepen, althans hen niet in de gelegenheid heeft gesteld hun standpunten met betrekking tot het door de curator vastgestelde salaris kenbaar te maken. Daartoe stellen verzoekers dat de Richtlijn (EU) 2019/1023[1] onjuist is geïmplementeerd met het huidige artikel 71 lid 3 Fw (dat luidt dat de rechtbank het salaris vaststelt en niet vermeldt dat de gefailleerde en/of de schuldeisers daarover worden gehoord).
Verzoekers verwijzen naar artikel 27 lid 4 van de Richtlijn, dat bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat er geschikte procedures voorhanden zijn om eventuele geschillen over de vergoeding van deskundigen (zoals faillissementscuratoren) te beslechten. Volgens verzoekers kan er in deze zaak (de salarisvaststelling curator door de rechtbank) sprake zijn van een geschil in de zin van dat artikel, zodat de rechtbank moest onderzoeken of daadwerkelijk sprake is van zo een geschil. De rechtbank moest artikel 71 Fw conform de door verzoekers betoogde uitleg van de Richtlijn uitleggen en verzoekers dus horen, aldus nog steeds verzoekers.
Visie van de A-G
De A-G stelt voorop dat artikel 71 Fw niet vermeldt dat de gefailleerde of de schuldeisers worden gehoord over de salarisvaststelling en dat alleen het horen van de rechter-commissaris is voorgeschreven (artikel 65 Fw). De A-G wijst daarnaast op eerdere HR-jurisprudentie, waaruit volgt dat met betrekking tot de salarisvaststelling geen sprake is van partijen die moeten worden gehoord. In HR 19 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1009, NJ 1991/213 werd overwogen dat in het systeem en de geschiedenis van de Faillissementswet geen steun valt te vinden voor een verplichting dat de gefailleerde met betrekking tot de vaststelling van het salaris van de curator wordt gehoord. Zwaartepunten in deze beslissing zijn volgens de A-G dat de salarisvaststelling een administratieve beslissing betreft waarbij geen sprake is van partijen en dat het horen van de gefailleerde en de schuldeisers niet past in het stelsel en de opzet van de Faillissementswet dat erop is gericht snel en tegen lage kosten het faillissement af te wikkelen. De Hoge Raad laat in het midden of artikel 6 EVRM jegens de gefailleerde in het spel is bij de salarisvaststelling, maar uit het oordeel dat de salarisvaststelling een administratieve beslissing betreft waarbij geen sprake is van partijen, lijkt volgens de A-G immers zonder meer te volgen dat dit niet het geval is. Artikel 6 lid 1 EVRM heeft betrekking op de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen. De A-G acht artikel 6 lid 1 EVRM hier niet van toepassing, omdat er sprake is van (enkel) een administratieve beslissing waarbij geen sprake is van partijen.
Daarbij merkt de A-G op dat wat geldt bij artikel 71 Fw naar valt aan te nemen ook geldt bij een salarisvaststelling op grond van artikel 15 lid 3 (bij vernietiging van het faillissementsvonnis) en 16 lid 2 Fw (bij opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten). Verder stipt de A-G nog aan dat de gefailleerde en schuldeisers ook via artikel 69 Fw (het verzoek aan de rechter-commissaris om de curator een bevel of verbod te geven) niet tegen de salarisvaststelling kunnen opkomen.
Vervolgens gaat de A-G na of de Richtlijn meebrengt dat er een verandering moet komen in de eerdere rechtspraak waaruit volgt dat de gefailleerde en de schuldeisers niet over de salarisvaststelling behoeven te worden gehoord. Na een vrij uitgebreide analyse van de Richtlijn (en de wijze waarop die is geïmplementeerd in Nederland), komt de A-G tot het antwoord dat dit niet het geval is. Uit de tekst van artikel 27 lid 4 van de Richtlijn en de totstandkomingsgeschiedenis volgt volgens de A-G onmiskenbaar dat dit artikel niet de bedoeling of strekking heeft om de lidstaten een procedure in het leven te laten roepen over de vergoeding van de deskundige (waaronder de faillissementscurator) waarin de gefailleerde en de schuldeisers moeten worden gehoord, in het geval dat een dergelijk procedure naar nationaal recht niet bestaat. Het doel van de Richtlijn is uitdrukkelijk (slechts) het efficiënter maken van insolventieprocedures, in het bijzonder de duur daarvan. Volgens de A-G volgt daaruit dat de lidstaten niet gehouden zijn om nieuwe procedures in te voeren met het oog op wat in artikel 27 lid 4 van de Richtlijn ‘eventuele geschillen over vergoeding’ (van deskundigen) noemt, maar uitsluitend dat zij de procedures die er op dat vlak in hun staat zijn, moeten laten voldoen aan het doel van de Richtlijn ‘om alle soorten insolventieprocedures doeltreffender te maken’. De A-G geeft verder aan dat het stelsel van de Faillissementswet bij uitstek aan deze eisen voldoet doordat de gefailleerde en de schuldeisers geen partij zijn bij de salarisvaststelling van de curator en de procedure van salarisvaststelling daardoor zeer snel en efficiënt kan verlopen, zonder veel kosten.
De A-G geeft verder aan dat in de consultatieversie van het ontwerp voor de implementatiewet een verplichting was opgenomen om de gefailleerde en de schuldeisers te horen over de salarisvaststelling, maar dat dit bewust niet is opgenomen in het voorontwerp. In de toelichting in het voorontwerp wordt dat toegelicht door te wijzen op de vrees die in de consultatie is geuit dat dit zou leiden tot grote vertraging bij de salarisvaststelling en dat de Richtlijn niet blijkt te noodzaken tot een dergelijke regeling.
Kortom, volgens de A-G verplicht de Richtlijn, anders dan verzoekers betogen, niet dat verzoeker moe(s)ten worden gehoord en is de wetgever terecht ervan uitgegaan dat die verplichting niet bestaat. Artikel 6 lid 1 EVRM is volgens de A-G niet in het geding. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Afrondende opmerkingen
De A-G geeft nog aan dat het onbevredigend kan worden gevonden dat de gefailleerde en de schuldeisers niet worden gehoord over de salarisvaststelling, maar dat dit eenmaal het door de wetgever gekozen systeem is. Een ‘oplossing’ hiervoor gaat volgens de A-G de rechtsvormende taak van de rechter te buiten. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de gefailleerde en de schuldeisers na faillissement een vordering kunnen instellen over de salarisvaststelling van de curator. De A-G laat (echter) in het midden wat dan precies de grondslag voor een dergelijke vordering zou moeten zijn.
Het is nu aan de Hoge Raad om zich hierover te buigen.
[1] Betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie).
Keywords
Auteur(s)
