14 Mar 2026
blog

Drie rondes over één faillissement: belanghebbenden, verzet en misbruik van recht

Blog

Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt op verzoek van derden in derde instantie op een verzoek van een stichting om haar eigen faillissement. Gesteld is dat er sprake zou zijn van misbruik van recht. Dat is volgens het hof niet het geval. Het hof laat het faillissement in stand en verbetert het bestreden verzetsvonnis.

Een faillissementsprocedure  verloopt meestal snel. Vaak staat de uitkomst bij aanvang al min of meer vast: de rechtbank spreekt het aangevraagde faillissement uit. Soms beoordelen twee instanties het faillissementsverzoek. De aanvrager kan hoger beroep instellen tegen een afwijzing. De schuldenaar zelf kan tegen zijn faillietverklaring opkomen door hoger beroep in te stellen of in verzet te komen. In uitzonderlijke gevallen komt het faillissementsverzoek zelfs meer dan twee keer bij een rechter terecht. Zo kan tegen een uitspraak in verzet hoger beroep worden ingesteld en staat daarna de weg naar de Hoge Raad open.

 

 

Verzet tegen faillietverklaring als derde

 

In de zaak van Stichting Linge’s Zorglandgoed (hierna: ‘de Stichting’), een zorginstelling, werd maar liefst drie keer geoordeeld over haar (mogelijke) faillietverklaring. Nog bijzonderder is dat dit gebeurde in een procedure waarin de Stichting met succes eigen aangifte van haar faillissement deed én waarin twee voormalige werknemers (hierna: ‘Appellanten’) als belanghebbenden tegen die faillietverklaring opkwamen. Appellanten waren hiertoe bevoegd op grond van art. 10 Fw. Dat artikel bepaalt dat iedere schuldeiser – die niet zelf het faillissement heeft aangevraagd – en iedere belanghebbende verzet kan aantekenen tegen een faillietverklaring bij het rechtscollege dat het faillissement uitsprak. Appellanten kwamen eerst in verzet bij de Rechtbank Gelderland, die de faillietverklaring in stand liet. Op grond van art. 11 Fw stelden zij vervolgens hoger beroep in tegen de afwijzing van hun verzet.

 

Appellanten stelden dat zij beiden een vordering op de Stichting hadden. Die vorderingen stonden echter nog niet vast. Zij hadden de Stichting allebei in rechte betrokken, maar die procedures liepen nog. Het hof wilde Appellanten daarom kennelijk niet als schuldeisers in de zin van art. 10 Fw aanmerken.

 

De Faillissementswet bepaalt niet wie als belanghebbende in de zin van art. 10 Fw geldt. De rechtspraak geeft handvatten om dat te beoordelen, zo volgt uit het arrest Hoeksma q.q./R.M. Trade:

 

“Wie tot de belanghebbenden in de zin van een wetsbepaling zijn te rekenen, moet, indien het in de desbetreffende wet niet is bepaald, uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid.

Daarbij zal een rol spelen in hoeverre de betrokkene door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre hij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen, het entameren daarvan daaronder begrepen (vgl. HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45).”

 

In een faillissement zouden Appellanten hun vorderingen ter verificatie moeten indienen. Het hof achtte de kans groter dat zij zonder faillissement van de Stichting (een) betaling op hun vorderingen zouden ontvangen. In dat eigen belang zag het hof voldoende aanleiding om hen als belanghebbenden aan te merken. Daardoor waren zij ontvankelijk in hun beroep.

 

 

Misbruik van recht door eigen aangifte?

 

Vervolgens beoordeelde het hof de inhoudelijke bezwaren van Appellanten. De ene appellant richtte de Stichting op en was sinds de oprichting enig bestuurder. Een B.V. – waarvan de andere appellant middellijk bestuurder was – financierde de Stichting bij de oprichting. Volgens de Stichting waren de geldstromen tussen de financier, haar middellijk bestuurder en de Stichting op onwenselijke wijze verweven. De Stichting probeerde daarom de partijen te ontvlechten, maar die pogingen mislukten. Dit mede doordat de andere appellant onvoldoende meewerkte. Volgens de Stichting raakte zij daardoor in zwaar weer en zag zij zich genoodzaakt eigen aangifte van haar faillissement te doen.

 

Appellanten verweten de Stichting misbruik van recht doordat zij haar eigen faillissement aanvroeg. Volgens hen wilde de Stichting hen via het faillissement buitenspel zetten en onder betalingsverplichtingen – ook jegens Appellanten – uitkomen. Het doel was volgens Appellanten een doorstart, die ook daadwerkelijk werd gerealiseerd.

 

De rechtbank oordeelde dat de Stichting verkeerde in een situatie waarin zij had opgehouden te betalen. Daarmee kon volgens de rechtbank niet worden gezegd dat sprake was van misbruik van recht door het aanvragen van het eigen faillissement.

 

Het hof stelde – met enkele kanttekeningen – eveneens vast dat de Stichting zich in een faillissementssituatie bevond. Het hof merkte echter op dat daarmee misbruik van recht niet is uitgesloten. De rechtbank ging volgens het hof voorbij aan de ruime leer die zich in de rechtspraak heeft ontwikkeld en waaruit volgt dat ook als er sprake is van financiële omstandigheden die op zich grond kunnen zijn voor een faillissement, misbruik van recht kan worden gemaakt. Het hof verwees hierbij naar het Digicolor-arrest en naar een eerdere uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden waarin deze ruime leer werd toegepast. In die uitspraak werd verwezen naar een conclusie van A-G De Bock, waarin zij nader inging op het Digicolor-arrest en de daaruit volgende ruime leer.

 

Het hof ging daarom wél inhoudelijk in op de vraag of sprake was van misbruik van recht en beantwoordde die vraag ontkennend. Volgens de Stichting stond de zorg voor haar patiënten op de tocht. Uit wat de Stichting en de curator naar voren brachten, bleek dat de continuïteit van de zorg niet alleen werd bedreigd door de slechte liquiditeitspositie op het moment van het faillissementsverzoek, maar ook door de negatieve exploitatie van de Stichting. Appellanten stelden dat het misbruik van recht lag in het zelf veroorzaken van een faillissementssituatie door allerlei betalingen (vooruit) te verrichten en onverplicht af te boeken op debiteuren. Appellanten maakten dit echter onvoldoende aannemelijk. Bovendien bood de faillissementsprocedure geen ruimte om daarover verder, uitgebreider onderzoek te doen.

 

Het hof liet het faillissement dus in stand en verbeterde het verzetsvonnis waartegen beroep was ingesteld door dit zo te wijzigen dat daarin niet meer stond dat door de vastgestelde faillissementssituatie geen sprake was van misbruik van recht. 

 

Zoals het hof overwoog, zou de curator in het faillissement onderzoek doen naar de oorzaken van het faillissement van de Stichting. Daarbij zou ook de rol van de verschillende betrokkenen aan bod komen. Mogelijk zou daaruit nog een aanspraak van de curator tegen een of meer betrokkenen voortvloeien.

Keywords

Belanghebbende
Derdenverzet
Eigen aangifte
Misbruik van recht

Auteur(s)

Wouter Vlasveld

Advocaat bij La Gro

LinkedIn