25 Mar 2026
praktijk

Interview: Insolventierechter Verhoeven blikt na 30 jaar terug en kijkt vooruit: ‘Toezicht houden is geen eenvoudige taak’

Mr. M.M. (Matthieu) Verhoeven was, na enkele jaren in de advocatuur, vanaf 1994 rechter in de rechtbank te Overijssel, locatie Almelo. Daar behandelde hij veel insolventiezaken. Als rechter, maar ook als rechter-commissaris. In een bijdrage in het NJB sprak Verhoeven zich in 2025 kritisch uit over het in zijn optiek ‘mislukte WHOA-project’ en keert hij zich ook tegen voorstellen om een WHOA voor natuurlijke personen te introduceren. Dat is de aanleiding voor een verdiepend gesprek over zijn perspectief op het insolventierecht. Ton Tekstra, Gert-Jan Boon en Jacky-Sophie van Maaswaal spraken op 1 december 2025 in het rechtbankgebouw te Almelo met Verhoeven over zijn carrière, zijn lange ervaring als insolventierechter en over problemen en kansen voor zowel het insolventierecht als de insolventiepraktijk.

1. De route naar het insolventierecht

 

Na ruim tien jaar advocaat te zijn geweest is Verhoeven inmiddels 32 jaar rechter. Al is hij per februari 2026 (op de leeftijdsgrond) ontslagen, een einde voor zijn rechterlijke loopbaan is dit nog niet. Hij gaat nog drie jaar door als plaatsvervanger voor drie dagen per week. Gedurende zijn carrière is hij eigenlijk altijd wel met insolventies bezig geweest[1]: ‘Vroeger was er de wat rare gewoonte van de rechtbank Almelo om iemand op z'n beëdigingsdatum als advocaat curator te maken in een faillissement. Dat was een traditie. En dan werd er een faillissement uitgezocht waarbij een blind paard geen kwaad kon, dacht men.’ Volgens Verhoeven is de rechtbank na de nodige ongelukken daar op een gegeven moment gelukkig mee gestopt: ‘maar tot die tijd was het vanaf dag één raak, meteen was je curator. Dat was een faillissement waarbij inderdaad zo te zien niks mis kon gaan. Het was een soort beëdigingscadeau van de rechtbank.’

 

Dat Verhoeven rechten ging studeren en rechter zou worden, lag niet voor de hand. Verhoeven: ‘ik wilde altijd dokter worden, maar werd het eerste jaar uitgeloot. Toen heb ik dat jaar rechten gedaan en dat vond ik echt hartstikke leuk. Maar goed, toen ik het volgende jaar alsnog voor medicijnen werd ingeloot, ben ik overgestapt. Twee jaar later liep ik zes weken mee met een huisarts. Daar ontdekte ik dat er veel mensen kwamen met psychosociale klachten en dat paste minder goed bij mij. Rechten vond ik eigenlijk veel leuker, dus toen ben ik dat toch weer gaan doen.’ Dat is een behoorlijke stap geweest. Verhoeven merkt op dat ‘als je mensen dit vertelt, dan zeggen ze altijd: kom je daar niet van de hemel in de hel of andersom? Voor mij was medicijnen ongelooflijk saai. Dat was alleen maar anatomie, dat is een soort van menselijke landkaarten uit je hoofd leren en scheikundige processen bestuderen, zoals je dat ook op de middelbare school kreeg bij organische chemie. Nee, dat was niet iets voor mij.’ Verhoeven besloot om zijn rechtenstudie weer op te pakken: ‘Toen ik dat besluit had genomen, bleek dat al mijn tentamens waren verlopen en moest ik opnieuw beginnen.’ Hij is in Groningen gebleven voor zijn studie. Omdat hij al ouder was, vond hij dat hij toch iets meer uit de rechtenstudie moest halen. Verhoeven: ‘Ik heb toen een kandidaats fiscaal-juridisch gedaan, kandidaats Nederlands recht en vervolgens als afstudeerrichting zowel privaatrecht als sociaaleconomisch recht.’

 

Van zijn juridische studie is Verhoeven vooral prof. Brunner bijgebleven. ‘Dat is mijn absolute held. Ik heb zelfs voor mijn huwelijk van een student-assistent twee uur college-opnames van Brunner gekregen.’ Prof. Brunner was hoogleraar burgerlijk recht en annoteerde ook wel voor Nederlandse Jurisprudentie (NJ). ‘Ik heb alle vakken gevolgd die Brunner gaf tot en met agrarisch recht. Later ben ik hem nog tegengekomen bij een cursus nieuw-BW. Toen ik zag dat hij één van die cursussen gaf heb ik mij haastig ingeschreven, want Brunner stond bij mij bovenaan!’

 

Verhoevens carrière begon bij een advocatenkantoor in Enschede. ‘Het kantoor waar ik begon bestaat niet meer. Ze voerden daar een algemene praktijk, maar ik ging al vrij snel die civiele kant op. Toen ik begon als advocaat kreeg ik gelijk mijn eerste faillissementsdossiers. Ik had gelukkig wel een patroon die oplette en mij goed begeleidde.’ De eerste faillissementen kan Verhoeven zich nog goed herinneren. Het begon met een mevrouw die wat al te enthousiast bestellingen had gedaan bij Wehkamp. ‘Daar kwam je nog wel uit, maar het tweede faillissement was een dakdekkersbedrijf. Dat was ook toen al eigenlijk min of meer foute boel. Er was vrijwel geen boekhouding, je kreeg de befaamde doos of plastic zak.’ Ook het derde faillissement staat Verhoeven nog goed bij: ‘Dat was een WAO-echtpaar. Die hadden allebei een WAO-uitkering en hielden per maand aanmerkelijk meer over dan ik als stagiaire. Echter, daar mocht je niet aan komen, want ja, de WAO was niet vatbaar voor beslag.’ Dat vond en vindt Verhoeven een bijzonder fenomeen, deze faillieten hadden van alles gekocht wat niet werd betaald en wat niet meer werd teruggevonden.

 

Verhoeven: ‘Wat werd daar ontzettend veel gefraudeerd. Dat is eigenlijk wel een rode draad gebleven; dit vind ik nog steeds.’ Verhoeven realiseert zich dat er een spagaat is op dit punt: ‘Wij spreken curatoren erop aan: jullie hebben een maatschappelijke taak en let daarop en doe aangifte, doe een melding. Van curatoren horen wij dat dit een hele hoop tijd kost, terwijl het rendement bijna nul is. Als je naar de politie gaat, krijg je te horen dat je met een civiele zaak van doen hebt. Als je die drempel wel over bent dan is er helaas geen prioriteit of capaciteit om het op te volgen. Het lukt alleen als de FIOD meekijkt, bijvoorbeeld bij een enorme belastingschade.’

 

2. Fraude in insolventieprocedures

 

2.1 Fraude zien en adresseren

De zorgen om fraude door faillieten en hoe in een faillissement met fraude om moet worden gegaan, komt meerdere keren in het gesprek aan bod. Verhoeven wijst erop dat zorgfraude volgens recent onderzoek op grote schaal voorkomt: ‘zorgfraude is iets dat merken we hier, er zijn veel zorgbureautjes als eenmanszaak, V.O.F., besloten vennootschap of stichting, waar vaak dezelfde personen bij betrokken zijn als ondernemers, bestuurders of vennoten.’ Het vergt ook veel doorzettingsvermogen van curatoren, want vaak zijn alle gelden verdwenen en het terughalen daarvan is een lastige opgave als de failliet blijft weigeren om mee te werken. Verhoeven merkt op dat gijzeling een belangrijk instrument kan zijn, maar ook zijn grenzen kent: ‘Een mevrouw die zorgfraude van EUR 1,3 miljoen had gepleegd, is zes maanden in gijzeling gehouden. De FIOD was ook betrokken in die procedure en het geld zou zijn opgegaan aan de verbouwing van twee huizen. Uiteindelijk werkte de prikkel van de gijzeling niet en heeft de fraudeur het geld gehouden. Ze is wel strafrechtelijk vervolgd, maar dat liep uit op taakstraf van slechts 120 uur.’

 

Verhoeven merkt op dat het moeilijk is om na te gaan of er in zijn regio meer faillissements- of zorgfraude voorkomt dan elders in het land. ‘Het is heel eenvoudig om een zorgbureau te starten en er is pas vrij recent belangstelling voor de fraude in de sector ontstaan.’

 

2.2 Fraudebestrijding door de curator

Vanuit een insolventierechtelijk perspectief ziet Verhoeven dat de positie van de curator is versterkt, maar dit is vooral in theorie. ‘Je ziet dat het periodiek aandacht heeft binnen het Openbaar Ministerie; het gaat met golfbewegingen. Ze missen de capaciteit om het op te volgen.’ Ook in strafrechtelijke procedures kan dit problematisch zijn, vertelt Verhoeven uit eigen ervaring in zaken waar hij als civilist zitting had in een strafzaak zat: ‘Er is weinig knowhow over het civiele recht en dat is ook geen sexy onderwerp, daar zou meer in geïnvesteerd mogen worden.’

 

Curatoren hebben ook een rol in het bestrijden van fraude: ‘We hebben curatoren die soms een zetje moet krijgen: ja, je hebt toch wel een maatschappelijke taak.’ Dit is zeker niet maatgevend volgens Verhoeven: ‘Er is best een aantal curatoren dat een soort zesde zintuig heeft voor fraude en dat niet zozeer kijkt naar wat er op de boedelrekening staat. Tegelijkertijd zullen sommige curatoren weleens discussie krijgen met kantoorgenoten over alle diepgravende onderzoeken die nimmer iets opleveren.’ Dat is volgens Verhoeven een groot kritiekpunt in het huidige systeem. Degene die ‘aan het front staan’ om de fraude te onderzoeken, zijn afhankelijk van wat zit er in die boedel zit.

 

3. Legeboedelproblematiek en turboliquidaties

 

3.1 Lege boedels

Verhoeven verbaast zich erover dat de legeboedelproblematiek na al die jaren nog niet is geregeld. ‘Je kunt het nauwelijks maken om tegen mensen te zeggen: ga voor 100 uur aan de slag voor ons, maar er zit niets in de boedel, dat is pech.’ Al is hier volgens Verhoeven in de curatorentarieven wel enigszins rekening mee gehouden. ‘Heel vaak zit je als rechter ellende uit te delen. En dat is één van de dingen waar we enigszins op letten bij het verdelen van faillissementen.’ Verhoeven vult gelijk aan: ‘Het is niet dat we zeggen: weet je wat, we rekenen daar wat soepel en een paar uurtjes overleg daar, want je bent eerder zo tekortgekomen. Dat kan niet zo zijn.’ Bij de schuldsanering is het volgens Verhoeven beter gedaan met de invoering van het basistarief dat wordt vergoed. ‘Daar zou bij faillissementen ook een voorziening voor moeten worden getroffen. Dit zou niet hetzelfde tarief moeten zijn als bij schuldsaneringen, maar er zou in ieder geval iets moeten zijn waardoor je niet 100% afhankelijk bent van wat er in de boedel zit’.

 

Het zoeken naar een oplossing voor de legeboedelproblematiek duurt al lang: ‘Volgens mij was er toen ik studeerde al een wetsontwerp dat voorzag in een beloning voor lege boedels. Nou, het is lang geleden dat ik gestudeerd heb. Nu er een potje is voor de basisbeloning voor bewindvoerders en ook voor de garantstellingsregeling, zou je ook in die richtingen moeten denken voor curatoren in lege boedels.’

 

De lege boedels leiden er vooralsnog niet toe dat veel curatoren het bijltje erbij neergooien. Tegelijkertijd ziet Verhoeven dat het wel moeite kost om bepaalde curatoren in beweging te krijgen. ‘Het wordt dan een gesprek zoals: “Kijkt u ook eens naar de stand van de faillissementsrekening?” En dan vind ik het heel lastig om te zeggen: dat zie ik ook wel, maar dit moet wel even gebeuren.’ Dit heeft ook gevolgen volgens Verhoeven: ‘Veel werk op het terrein van fraude en bestuurdersaansprakelijkheid laat men liggen.’ Verhoeven merkt ook op: ‘Regelmatig zeg je als rechter: “Hier kun je heel veel werk aan verrichten, alleen de kans dat je wat haalt, is vrij gering.” En als ze dan iets binnenhalen, is het in eerste instantie om het eigen salaris van te betalen. Het theoretische instrumentarium is er, alleen de praktische uitvoerbaarheid mist.’

 

3.2 Turboliquidaties

Naast lege boedels heeft Verhoeven ook moeite met de huidige situatie rondom turboliquidaties. Verhoeven: ‘Dan wordt het faillissement van de ontbonden vennootschap aangevraagd en moet aannemelijk worden gemaakt dat er een bate is. Een bate vind je vaak snel, daarbij heb ik toch liever dat zo'n curator daar eens naar kijkt. De schaduwkant daarvan is dat ik de curator opzadel met een in ieder geval voorlopig hartstikke lege boedel. En daar wens je hem veel geluk mee, en als hij heel erg zijn best doet komt daar nog wat binnen.’

 

De situatie met turboliquidaties is volgens Verhoeven een lastig dilemma. ‘Voor een deel is het ook onze eigen schuld met het Hoeksema-arrest.’[2] Tegelijkertijd ziet Verhoeven dat soms noodzakelijk is een curator aan te stellen: ‘Je moet af en toe wel, maar je maakt er geen vrienden mee bij curatoren. Je zadelt ze op met een verzameling schroot. Als er moeilijkheden zijn om al enige tijd de administratie aan te leveren, dan hebben we wel een indicatie van mogelijke baten’.

 

4. Aanstelling van curatoren

 

4.1 Aanstelling van curatoren: naast advocaten ook een accountant, fiscalist en burgemeester

In zo’n 99% van de faillissementszaken wordt een advocaat tot curator aangesteld. Verhoeven herinnert zich dat er ook weleens een accountant is aangesteld en in een verder verleden ook weleens een fiscalist: ‘Dat was het geval bij een hoogleraar werkzaam bij de Universiteit Twente die tevens een concern had opgericht dat bestond uit deelnemingen in elkaar. Toen het fout ging, had dit gevolgen voor het hele concern. Dit hing met name samen met een aantal fiscale kwesties, waardoor naast een advocaat ook een fiscalist als curator werd aangesteld.

 

Dit gebeurde ook in een faillissement van een zorginstelling waarin Verhoeven de burgemeester als curator heeft aangesteld.[3] Verhoeven: ‘Het betrof een zeer vervelende situatie van een zorginstelling zonder geld, terwijl de patiënten, waaronder tbs-patiënten, een grote zorgbehoefte hadden. De curator kreeg veel medewerking van het personeel, maar dat houdt een keer op. Voor een oplossing voor wanneer ook het UWV het salaris niet meer dekt, is de curator naar de gemeente gestapt.’ Aldus Verhoeven bleef de gemeente meerdere weken onbereikbaar voor de curator. Er had ook een kort geding tegen de gemeente gestart kunnen worden, ‘maar dan ben je zo meerdere weken verder voordat je een vonnis hebt. Ondertussen zouden in dit faillissement de tbs-patiënten mogelijk op straat belanden.’ Er is toen besloten de burgemeester aan te stellen als curator: ‘Het leidde er wel toe dat de burgemeester zich meldde bij de rechtbank. Voortzetting van de zorg werd vervolgens snel geregeld en na vier dagen werd de burgemeester op voordracht van de rechter-commissaris ontslagen als curator.’ We moeten hier geen gangbare praktijk van maken aldus Verhoeven: ‘Het was 100% een noodgreep. Hopelijk zou dit effectiever zijn dan een kort geding en dat bleek het ook te zijn.’

 

De te benoemen curatoren hoeven niet noodzakelijkerwijs INSOLAD-leden te zijn. Verhoeven merkt op dat dit bij de grote faillissementen wel bijna altijd het geval is. ‘Het is niet zo dat we dit als een keiharde eis stellen. Ook om jonge aanwas te kweken kan de INSOLAD-opleiding een drempel zijn. Al gaan de meeste curatoren de opleiding toch nog volgen, bij ons is het geen harde eis.’

 

4.2 Het functioneren van de curatorenpraktijk

Verhoeven vindt dat over het algemeen het niveau van de curatoren de laatste jaren is verbeterd. ‘Twintig/dertig jaar geleden deed iedereen er wel een faillissementje bij en vlak voordat ik overstapte, was iedere rechter hier ook rechter-commissaris in een paar faillissementen. Dat was kwalitatief gezien niet altijd de beste oplossing, om het voorzichtig te zeggen.’ Zowel bij de rechters-commissarissen als in de advocatuur heeft Verhoeven hier een grote verschuiving gezien: ‘Het aantal rechters-commissarissen is bij ons toen teruggebracht naar twee tot vier. In de advocatuur zie je ook dat er bijna geen advocaten meer zijn die er weleens een faillissementje bijdoen.’

 

Naast deze – wat Verhoeven betreft – goede ontwikkeling, maakt hij zich wel enige zorgen om doorstroming in de curatorenpraktijk: ‘Wij maken ons op dit moment wel enige zorgen nu een generatie zeer ervaren curatoren afscheid aan het nemen is of al afscheid heeft genomen.’ Vanuit de rechtbank wordt er volgens Verhoeven bewust ingezet om ook wat jongere curatoren te benoemen in meer ingewikkelde faillissementen. Verhoeven: ‘Je hebt curatoren die theoretisch fantastisch zijn, maar waarvan je bij wijze van spreken drie vragen per dag krijgt, en je hebt curatoren die meer een handelaar zijn en die vooral laten zien wat ze voor de boedel hebben bereikt.’ Er zijn verschillende soorten faillissementen en daar hebben we ook verschillende curatoren voor nodig, aldus Verhoeven.

 

4.3 Procederen door de curator

Verhoeven ziet dat er de laatste jaren aanmerkelijk meer geprocedeerd wordt in faillissementen dan in het verleden: ‘Als advocaat riep ik altijd dat procederen de slechtste en duurste manier is om je problemen op te lossen.’ Procederen is daarom regelmatig onderwerp van gesprek met curatoren: ‘Je hebt hier een heel interessante juridische vraag, maar wat zou je als crediteur ervan vinden als jij in plaats van 30% geen uitkering krijgt, maar er wel juridische duidelijkheid is gekomen?’ Wat Verhoeven betreft is het begrijpelijk dat niet alles uitgeprocedeerd kan worden, ‘dat je af en toe aan onderhandelen doet als curator is daar inherent aan en helemaal niet zo erg.’

 

Er is overigens een nieuwe ontwikkeling die steun krijgt binnen Recofa, aldus Verhoeven, namelijk om een verplicht gesprek te hebben met de wederpartij en de rechter-commissaris voordat de rechter de curator machtigt om te gaan procederen. Verhoeven betwijfelt hoe zinvol dit is: ‘Vaak heb je in je dossier al de brieven van de tegenpartij, dus je weet precies wat de positie van partijen is.’ Soms kan het heel nuttig zijn om ook de wederpartij te horen: ‘Wij zien de stukken, maar het inzicht in de bewijsvoering hebben wij meestal niet. Het gebeurt nog weleens dat een curator een machtiging vraagt voor een sterke zaak waarbij de wederpartij verhaal zou bieden. Echter, later blijkt dat de mogelijkheden voor verhaal aanzienlijk beperkter zijn. Als dit bekend was, had je de curator dan wel een machtiging gegeven?’ Tegelijkertijd merkt Verhoeven op dat in een procedure altijd onverwachte dingen gebeuren, wat ook kan betekenen dat later blijkt dat verhaal toch mogelijk is. Verhoeven: ‘Je moet oppassen voor te rooskleurige verhalen, want je wordt eigenlijk altijd eenzijdig geïnformeerd. Daar is het verplicht horen van de wederpartij een wapen tegen. Maar bij ingewikkelde kwesties als bestuursaansprakelijkheid is vaak al enorme correspondentie, daar betwijfel ik wat het horen van de wederpartij toevoegt.’

 

Een ander punt dat nog weleens discussie oproept, is wie de curator laat procederen. Verhoeven: ‘Vroeger zeiden we altijd: we benoemen niet voor niets advocaten tot curator, zodat die ook zelf kunnen procederen. Aan de andere kant, je kan ook gekleurd worden door je taak als curator waardoor normale procesrisico's uit het oog worden verloren of worden onderschat.’ Verhoeven ziet ook de meerwaarde van enige distantie in het geval van procederen: ‘Nu wordt meestal aangegeven dat een curator niet zijn eigen advocaat moet zijn; dat is eigenlijk min of meer de standaard geworden. Het gaat soms zelfs zo ver dat ook bij een eenvoudige incassodagvaarding een kantoorgenoot wordt ingeschakeld. Als dat wordt gedaan omdat het goedkoper is, is dat natuurlijk prima.’

 

Mediation in faillissementen komt in het arrondissement van Verhoeven nog niet zo veel voor: ‘Bij mediation speelt vaak dat de partijen met elkaar verder moeten of elkaar nog vaak zullen tegenkomen. Dat heb je in een faillissement per definitie niet. De één is dood en ontbonden tegen de tijd dat het over is. Dus dat argument is weg.’ Het is volgens Verhoeven meer schikken: ‘Daar heb je, denk ik, geen mediator voor nodig.’

 

5. Toezicht door de rechter-commissaris

 

5.1 De veranderende toezichtsrol

Als we het toezicht aansnijden, merkt Verhoeven gelijk op: ‘Als rechter-commissaris toezicht houden in faillissementen is geen eenvoudige taak.’ Hij merkt op dat je vroeger in iedere rechtbank gedurende maximaal twee jaar lang als rechter-commissaris faillissementen hoefde te doen en ‘daarna was je van het corvee verlost’. Volgens Verhoeven leidde dat ertoe dat rechters-commissarissen terughoudend waren omdat er snel werd gerouleerd waardoor ‘eigenlijk de secretaris de ruggengraat van de faillissementskennis was’. Verhoeven is geen voorstander van het snel rouleren van rechters-commissarissen, maar ook aan de mate van afstemming binnen Recofa zoals dat nu gebeurt, ziet hij grenzen. ‘Later is Recofa ontstaan, een overleg voor de teamvoorzitters die hebben aangestuurd op duidelijkere regels. En ik zeg dan wel, ik heb de wet en de jurisprudentie, maar ben niet aan verdere afspraken gebonden.’

 

Verhoeven wijst bijvoorbeeld op de invulling van de inspanningsverplichting in schuldsaneringstrajecten: ‘Volgens de Recofa-richtlijnen moet de schuldenaar vier keer per maand solliciteren, maar dat streep ik eruit. Je moet volgens de wet voldoen aan je inspanningsplicht, wat kan betekenen dat je moet solliciteren als je geen baan hebt. Wat in zo’n geval voldoende is, dat verschilt nogal. Als je vijftien jaar geleden een zestiger had zonder al te veel opleiding, dan kon je die laten solliciteren maar diegene werd vervolgens nergens aangenomen. Ook zijn er mensen die kansloos gaan solliciteren op een hoogleraarspositie om te laten zien: ik solliciteer wel. Maar ook schuldenaren met een expertise in de IT die vervolgens maar vier keer per maand solliciteren, is veel te weinig. Zo iemand kan toch overal aan de slag.’ De Recofa-richtlijnen kunnen een nuttig beginsel zijn, een vertrekpunt volgens Verhoeven, ‘maar het blijft uiteindelijk toch een soort maatwerk.’

 

De termijn van een rechter-commissaris is nu zo’n vijf tot zes jaar, dat is een verbetering volgens Verhoeven. Een aandachtspunt ziet hij bij Recofa, ‘het zijn vooral de teamvoorzitters die actief zijn binnen Recofa. Zij kunnen zomaar van bestuursrecht komen, bij wijze van spreken. Het kan dan zijn dat ze inhoudelijk minder weten van het toezicht houden in insolventieprocedures.’ Daarnaast zijn er volgens Verhoeven veel lagen van toezicht en overleg: ‘Naast Recofa is er het landelijk kwaliteitsbureau CBM voor curatele, bewind en mentorschap. Verder is er het Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht (LOVT). Daarboven heb je een coördinerend landelijk overleg Vakinhoud.’ Daar gaat het volgens Verhoeven uiteindelijk vooral om het managen en niet noodzakelijkerwijs om de inhoud.

 

5.2 Actief toezichthouden

Verhoeven: ‘Het voordeel van een klein arrondissement is dat je de curatoren vrij goed kent en ook goed kunt volgen hoe het in de faillissementen verloopt. Bij de fusie met Zwolle werd duidelijk dat er behoorlijke verschillen bestonden tussen hoe in Almelo en Zwolle het toezicht werd vormgegeven. Wij vroegen curatoren veel meer, en dat vonden curatoren regelmatig wel lastig. Het werd in het begin weleens met enig wantrouwen bekeken: wat zijn dat voor vragen van de Almelose rechtbank? Anderen hebben ook gezien dat we graag met de curatoren meedenken.’

 

Reflecterend op de relatie tussen de rechtbanken en de curatoren merkt Verhoeven op: ‘Soms denk ik ook dat we weleens iets te boekhouderig zijn, iets te veel er bovenop willen zitten. Een curator – zeker een ervaren curator – kan zich afvragen waarom wij dat alles vragen. Denkt u dat ik mijn vak niet versta? Maar ik wil graag weten hoe het zit.’ Als de faillissementsverslagen tot vragen leiden, dan wordt er contact opgenomen met de betreffende curator: ‘Zo van: “Maar hoe zit dat nu, en dit staat niet in het verslag”. Vroeger liep men dan vaak bij ons binnen, maar die tijd is voorbij. Ook curatoren die hier al veertig jaar curator zijn, moeten zich legitimeren bij de bode.’

 

Verhoeven: ‘In beginsel lees ik alle faillissementsverslagen, tenzij het een faillissement is waarin helemaal niks gebeurt. Dan zegt de griffier: “Het wachten is hier nog steeds op hoger beroep, staat niks in”, maar verder krijg je ze allemaal.’

 

5.3 De panic room

Met een serieuzere noot vertelt Verhoeven dat hij de enige rechter binnen het arrondissement is met een heuse panic room. ‘Dat bleek nodig in een privéfaillissement waarbij de schuldenaar vond dat ik zijn levenswerk vernielde, maar dat had hij toch echt zelf gedaan.’ Als rechter-commissaris was hij benoemd in het faillissement waarin nog zaken verkocht moesten worden. ‘Die schuldenaar had allerlei mails gestuurd van “de rechter-commissaris en de curator die halen feestdagen niet”. Op een gegeven moment, terwijl ik bij een cursus in Utrecht was, belde een collega dat ik mee naar de politie moest gaan omdat er weer wat binnen was gekomen. Daar bleek dat dit heel serieus was, want die vent had wapens.’ Verhoeven vertelt dat toen de dienst beveiliging erbij is gehaald. ‘Die gaan naar je huis kijken en signaleren waar je wat door naar binnen kunt gooien en dat het dus niet goed beveiligd is. Waar je tralies voor zou moeten zetten, etc.’ Daar hield het niet bij op: ‘Je krijgt adviezen als: varieer de route van werk naar huis en omgekeerd.’ Er werd ook een nieuwe deur in zijn huis geplaatst: ‘Daar werd trots bij gezegd: die doorstaat 20 minuten machinegeweervuur en binnen die tijd zijn we wel bij u. Er kwamen ook nieuwe ramen, etc.’ Al zegt Verhoeven niet bang te zijn aangelegd, in die tijd woonden zijn kinderen ook nog thuis. ‘Maar ja, in een faillissement waar ik de rechter-commissaris ben, werd de Enschedese curator neergeschoten. ’s Ochtends gebeurde het en 's middags belde men al dat wij geen risico lopen hoewel de dader onbekend was … ‘Dit heeft zeker impact op je collega’s. Je zou verwachten dat uitsluitend strafrechters bedreigd zouden worden, maar het zijn familierechters en faillissementsrechters die hier vooral last van hebben.’ Het is wel een verschil met vroeger, volgens Verhoeven: ‘Toen was het vak volkomen onbekommerd; dat is beduidend minder geworden. Aan de andere kant denk ik: “Wat moet je anders?” Ik kan toch niet mijn vak anders gaan doen vanwege een dreiging.’

 

6. Problematische schulden en natuurlijke personen

 

6.1 De wettelijke schuldsaneringsregeling

Met Verhoeven spreken we ook over schuldenproblematiek van natuurlijk personen. Verhoeven: ‘Volgens onderzoek zijn er 750.000 mensen met problematische schulden. Het bijzondere is dat wij daar als rechtbanken maar weinig van zien. Waar blijven al die mensen? Lopen die stuk in de schuldhulpverlening? Of slagen er zo veel minnelijke regelingen? Met 2000 dwangakkoorden per jaar, kan het niet daar liggen.’ Wat in ieder geval beter kan, is de afstemming tussen het minnelijke traject met de schuldhulpverlening en wettelijke traject bij de rechtbank. Verhoeven ziet voorbeelden met saneringsvoorstellen die niet aangeboden hadden mogen worden.

 

Volgens Verhoeven is de wettelijke schuldsaneringsregeling met de laatste wijziging veel toegankelijker geworden. ‘Kijk, de looptijd van het traject is teruggebracht van 36 maanden naar 18 maanden. Dat is overigens een politieke keuze en daar hebben wij buiten te blijven. Dat geldt ook voor de verkorting van de goedetrouwtermijn van vijf jaar na drie jaar.’ Hij kan wel iets zeggen over de verschuiving die hij ziet sinds de wetswijziging: ‘Nou, we zien nu regelmatig een verzoek tot de wettelijke schuldsaneringsregeling na precies drie jaar en één week sinds het ontstaan van een foute schuld. Voor de wetswijziging was hen waarschijnlijk de toegang tot schuldsaneringsregeling geweigerd. Door de verkorting van periode voor de goedetrouwtoets, valt deze toets grotendeels weg.’ De mogelijkheden om als rechter ‘aan de poort’ te kunnen filteren, zijn met de wetswijziging aanmerkelijk beperkt: ‘In veel gevallen kun je het niet weigeren anders dan op basis van je eigen verwachting of iemand de verplichtingen van de regeling kan naleven. Dat blijft een zwakke grond om iemand te weigeren.’

 

Met Verhoeven spreken we verder over het in 2023 gewijzigde regime voor wettelijke schuldsaneringstrajecten. Verhoeven: ‘Door al die amendementen is het systeem erg overhoop gegaan, met name de kwestie van de eerste aflossing. Toen dit door de Tweede Kamer werd aangenomen waren er bij ons grote zorgen, wij voorzagen de problemen al.’ Verhoeven herinnert zich dat hij bij een WSNP-actualiteitscursus die hij gaf, sprak over wat voor mogelijkheden dit ging creëren: ‘Als de schuldhulp hun cliënten adviseren om bij het eerste gesprek € 0,01 mee te nemen en plechtig op tafel te leggen als zijnde “dit is mijn eerste aflossing”, dan gaat de “meter” lopen.’ Al zei hij dit naar eigen zeggen toen nog enigszins grappend, Verhoeven wijst erop dat het Hof Arnhem-Leeuwarden anderhalf jaar later oordeelde dat het moment van begin kan zijn bij het aflossen met € 0,01, ten bewijze van het feit dat er geen aflossing mogelijk was. ‘Dus je ziet daarmee het gevolg van de eerste aflossing, ook nu de Hoge Raad heeft gezegd dat een nul aanbod mogelijk is. Dat is geen aflossing, dat is in feite een verzoek om kwijtschelding.’

 

Sanieten in de schuldsaneringstrajecten kunnen hele uiteenlopende personen zijn, waarmee Verhoeven allereerst doelt op de natuurlijke personen met of zonder met eenmanszaken. ‘Wat we regelmatig doen, is bij een schuldsaneringstraject van een saniet met een eenmanszaak een bewindvoerder benoemen van een kantoor waar ze ook curatoren hebben. Die weten beter hoe met dit soort bijltjes te hakken.’ Wanneer sprake is van omzettingen wordt soms de curator vervolgens als bewindvoerder aangesteld. ‘Ook het omgekeerde vindt plaats, bij een eigen aangifte benoemen we wel eens WSNP-bewindvoerder tot curator, zodat het in één hand blijft. Deze aanpak werkt best aardig. Heel soms suggereren wij een faillissementsaanvraag. Dan worden we gebeld door een schuldhulpverlener die betrokken is bij een ondernemer met personeel in dienst.’ In dat soort gevallen heeft volgens Verhoeven eerst een faillissement de voorkeur: ‘Laat hem zijn eigen faillissement aanvragen, dan heb je een curator die weet hoe je een onderneming voortzet en weet hoe je dat afwikkelt. En als dat allemaal netjes is, dan zetten we het daarna probleemloos om in een schuldsanering met aftrek van de voorperiode.’ Daarnaast is een faillissement ook geschikt voor schuldenaren die zich niet willen of kunnen inspannen: ‘Je hebt ook mensen die nergens op reageren en dan failliet gaan. Zo'n faillissement is dan relatief snel klaar en de verplichtingen zijn minder. Daarbij zijn er mensen die redeneren dat na een faillissement de gemiddelde deurwaarder je wel een tijdje met rust laat.’ De rechtbank heeft hierin wel een rol, volgens Verhoeven houden ze in de gaten of terecht eerst de route van een faillissement wordt bewandeld: ‘Je hebt een aantal gevallen die zich gewoon beter lenen voor eerst een faillissement en dan de schuldsanering. En ja, het maakt voor de schuldeisers over het algemeen niet zo heel veel uit.’ Dit maakt niet dat alle faillissementen onoverkoombaar waren: ‘Volgens mij is het overgrote deel van de persoonlijke faillissementen nog steeds het gevolg van het verstek laten gaan. Als ze later willen omzetten dan kan dat niet meer’.

 

6.2 Een WHOA voor natuurlijke personen?

Samen met zijn rechtbankcollega Koppelman schreef Verhoeven in het NJB[4] een reactie op een artikel van prof. Wibier. Zij reageren op zijn pleidooi (kort gezegd) voor een WHOA voor natuurlijke personen. Verhoeven: ‘Wij hebben daarin onder meer aangegeven dat het dwangakkoord van artikel 287a Fw wat ons betreft een veel toegankelijker en eenvoudiger uit te voeren regeling voor herstructurering van schulden biedt dan de door Wibier voorgestelde WHOA.’ In hun bijdrage schreven Verhoeven en Koppelman dat er aandrang is ‘het mislukte bestaande WHOA-traject’ voor ondernemers uit te breiden. Daar kwamen diverse reacties op, aldus Verhoeven.

 

‘Het systeem van de schuldhulpverlening loopt vast bij de gemeente. Van de gemeente komt het naar ons toe. Als daar het knelpunt zit, is het laatste wat we moeten doen het traject volledig bij de gemeente neerleggen.’ Verhoeven vindt het daarbij ook lastig dat de gemeente in vrijwel alle gevallen medeschuldeiser is. ‘Je moet niet iemand toezicht laten houden die mogelijk eigenbelang heeft, dat corrumpeert hoe dan ook. En je hebt er mensen bij die zullen het keurig doen en misschien de gemeente zelfs laten achterstellen, maar dat moet je gewoon duidelijk uit elkaar houden.’

 

‘Toen ik advocaat werd, had je in Enschede de Stadsbank die heel veel saneringskredieten verleende, zo werd het bijna allemaal opgelost. Alleen die saneringskredieten werden voor het overgrote deel nooit meer terugbetaald en dat werd een probleem voor de gemeente.’ Dat werd niet meer houdbaar en een andere oplossing was nodig, Verhoeven vertelt dat met de komst van de WSNP deze kredieten niet meer nodig waren. ‘Grappig genoeg is nu steeds meer de tendens dat dwangakkoorden worden aangeboden met een saneringskrediet van de gemeente. Daar gaan we weer ...’

 

‘We zijn ook een keer gebeld door de wethouder van een gemeente of wij konden ophouden met het uitspreken van al die beschermingsbewinden. Of wij wel wisten wat het de gemeente kost aan bijzondere bijstand?’ De drempel bij beschermingskredieten is laag en dat leidt tot bijstandskosten voor de gemeente. ‘Volgens de wethouder was het tweederde van het budget aan bijzondere bijstand die opgaat aan het schuldenbewind.’ Verhoeven was naar eigen zeggen niet erg onder de indruk: ‘Tenzij u vrienden heeft in Den Haag die het anders kunnen regelen, maar wij kunnen niet anders.’

 

Ondertussen ziet Verhoeven de aantallen wettelijke schuldsaneringstrajecten wel weer wat stijgen: ‘Maar ja, het is wel het middel dat werkt, daar zou je zo veel meer verwachten hè?’ Vroeger had de rechtbank volgens Verhoeven altijd twee WSNP-zittingen per week in Almelo en één in Zwolle. ‘Zwolle is een rijkere streek, daar komt het minder vaak voor.’ Als dat nodig is, werd het aantal zittingen uitgebreid, ‘een derde zitting in Almelo of een tweede zitting in Zwolle. Nu is het nog maar één zitting in Zwolle in de 2 à 3 weken.’ Voor een deel ziet Verhoeven de verklaring in de schuldenaren die niet klaar zijn voor het minnelijke traject bij de gemeente en daarmee geen toegang krijgen tot het wettelijke traject. Verhoeven: ‘Dus daar blijft een grote groep weg, waar je ook in de WSNP niks mee zou kunnen. Maar er moet een grote tussengroep zijn waarbij ik niet weet wat ermee gebeurt, waar blijft die?’

 

7. Over herstructureringen en WHOA (de rescue culture)

 

Al hoor en lees je veel over een verschuiving van faillissement naar herstructurering, Verhoeven is terughoudend. ‘Persoonlijk geloof ik niet dat daar zo heel veel veranderd is de afgelopen 25 jaar. Vroeger werd er ook wel gekeken naar de belangen van werknemers en het doorstarten van de failliet.’ Verhoeven begint over het faillissement van het Enschedese Vredestein, dat een relatief groot regionaal bedrijf is met veel werknemers en waarbij het faillissement veel media-aandacht kreeg. ‘De rechtbank maar ook de curatoren weten dat deze belangen dan spelen. Ik denk ook dat curatoren daar behoorlijk aan hebben bijgedragen door te kijken wat voor biedingen ze binnen hebben gekregen en waarbij hoeveel medewerkers door konden gaan, ook een rol heeft gespeeld.’

 

Verhoeven ziet dat hoe met maatschappelijke belangen wordt omgegaan ook niet heel anders is geworden door de komst van de pre-pack of WHOA: ‘Wat volgens mij wel een rol speelt is heel vaak het redden van de onderneming en daarmee eigenlijk het redden van de zekerheden van de bank, daar gaat het om.’ De nieuwe instrumenten bieden volgens Verhoeven meer mogelijkheden voor de bank om er met waardebehoud goed uit te kunnen komen.

 

In Overijssel is er nog nooit een WHOA gelukt volgens Verhoeven: ‘Er is wel een akkoord aan ons voorgelegd, maar er is nog nooit een akkoord gehomologeerd.’ Het zwaartepunt van de WHOA lijkt volgens hem te liggen in Gelderland en Amsterdam. ‘Voor een kleine B.V. is het vooral de vraag of die een WHOA kan financieren. Je moet een herstructureringsdeskundige betalen of een observator. Dat gaat best om stevige bedragen, als je dat hebt, dan hoef je niet failliet. Dan kun je het wel gewoon regelen buiten een WHOA om.’ Dat betekent niet dat een WHOA geen relevantie heeft: ‘Voor hele grote ondernemingen is het denk ik een oplossing, maar voor het kleinbedrijf is het zo te zien niet weggelegd.’ Wel spreekt Verhoeven in zijn NJB-bijdrage over 'het mislukte WHOA-traject'.[5] Als we dat aan hem voorleggen, merkt hij gelijk op dat dit vooral vanuit Overijssel is bekeken: ‘Het systeem van rangorde en voorrechten bij insolventie klopt op zich en dat geldt ook bij de WHOA. Waarom zou je daaraan gaan morrelen? Omdat het in een concreet geval misschien verkeerd uitpakt. Zeker voor mensen die willen ondernemen, die moeten van een aantal dingen kunnen uitgaan. En ja, een bank die besluit om kredieten te verlenen, heeft stabiel kader nodig.’

 

8. Grote insolventies

 

Verhoeven ziet dat wanneer er een grote insolventie dreigt er behoefte is aan een zekere vorm van vooroverleg. Tegelijkertijd gebeurt dit in de praktijk zelden: ‘Enig overleg over problemen die zullen komen is tot daaraantoe, maar in het verleden kwamen er ook verzoeken voor aanstelling van specifieke curatoren. Dat is overigens eerder een contra-indicatie’.

 

Dit neemt niet weg dat het bij grote insolventies belangrijk is dat curatoren zich tijdig kunnen inwerken: ‘Daarbij is wel enig strikt vertrouwelijk vooroverleg mogelijk. Dat bespreek ik ook wel voor met de eventuele curator, want die moet ook z'n eigen agenda kunnen aanpassen.’ Dit kan weleens een dilemma zijn, zegt Verhoeven: ‘Zeker nu het aantal faillissementen wat minder is; we vragen wel de volle inzet van curatoren om hun agenda leeg te maken.’ Verhoeven ziet daarbij wel een spanningsboog: ‘Als we curatoren vragen zich enkele maanden volledig beschikbaar te maken, schept dat ook verplichtingen in tijden dat het wat rustiger is om die kantoren aan de gang te houden’. Hij kent ook de kritiek: ‘Aommigen zeggen dan van ja, maar dat is niet eerlijk, zij krijgen meer faillissementen dan wij.’ Maar daar gaat Verhoeven niet in mee: ‘We vragen van deze curatoren dat ze een hele kantoororganisatie erop ingericht hebben. Dat is wel een soort moreel punt, want die moet je dan ook wel voldoende bevoorraden’.

 

‘Uiteraard blijft op één staan dat sprake is van voldoende ervaring en deskundigheid. Je hebt inderdaad een paar curatoren die kun je bij wijze van spreken thuis uit hun bed kunt bellen: lukt het je om dit faillissement te doen? Dan is het “ja, oké”, want die hebben daar een praktijk op ingericht. Terwijl dat voor veel advocaten niet mogelijk is.’ Dat is niet alles, het moet duidelijk zijn dat het de curator vrij zal staan het faillissement te doen: ‘Dat soort dingen check je van tevoren. Net als de vraag of ze de tijd en het team hebben om het faillissement te doen.’

 

9. Maatschappelijke belangen

 

De fiscus heeft in het algemeen bij insolventies niet een erg goede naam zegt Verhoeven, maar zelf vindt hij ze vaak soepel. ‘Als je soms hoort wat voor regeling er getroffen wordt. Nou, dat is coulant. De “kille saneerder” of “de fiscus heeft maar één doel, dat is uitschakelen” is bepaald niet waar.’

 

In grotere faillissementen spelen vaak ook belangen zoals werkgelegenheid en milieu. ‘De positie die deze belangen innemen is door de jaren heen erg veranderd.’ Het kan grote impact hebben op de positie van de curator: ‘We hebben een aantal jaren geleden een situatie gehad waarbij de curator pro se op zijn woonadres een last onder dwangsom kreeg die verband hield met vervuilde grond en opslag van giftige stoffen in het faillissement waarin hij was aangesteld.’ Er werd volgens Verhoeven door alle betrokken instanties – de gemeente, de provincie en het ministerie van VROM – naar elkaar gewezen waar de verantwoordelijkheid lag voor de last onder dwangsom. Verhoeven: ‘Toen hebben wij de gegevens opgevraagd van de betreffende minister, de commissaris van de koningin en de burgemeester om hen ook als curator aan te stellen om de gecompliceerde situatie op te lossen.’ Nog voordat het zover was, aldus Verhoeven, ‘was binnen de kortste keren de last onder dwangsom opgeheven.’

 

In dit kader komt ook het recente Middelkoop-arrest aan bod waarin de curator q.q. aansprakelijk is gehouden voor containers die een onroerende zaak waren geworden en op een naburig perceel stonden. Verhoeven ziet bezwaar tegen de door de Hoge Raad in dit arrest aangenomen aan de onrechtmatige daad verwante zorgvuldigheidsnorm die de curator schond.[6] ‘Als ik op een woensdag iemand tot curator benoem, dan krijgt hij er misschien ook een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad bij als blijkt dat er bijvoorbeeld vervuilde grond is.’ Verhoeven zou graag zien dat dit in de wet geregeld wordt: ‘Het is slecht geregeld als dergelijke verplichtingen via de onrechtmatige daad-route afgedaan moeten worden. De wetgever zou een specifieke rechtsgrond moeten introduceren waaruit volgt dat als er vervuiling is, dat het een boedelschuld is. Dan leidt het in ieder geval niet tot een privé-aansprakelijkheid van die curator.’ Zelfs in deze situatie ziet Verhoeven enige bezwaren: ‘Ook als je het tot een boedelschuld komt, is het vervelend voor de curator. Hij begaat dan een soort onrechtmatige daad door iets dat voor het faillissement tot stand is gebracht en wat hij slechts in de boedel aantreft. Als hij geen geld heeft, pleegt hij een onrechtmatige daad, of schendt hij een zorgvuldigheidsnorm. Ja, dat vind ik nogal ver gaan hoor.’

 

10. Naast het rechtersvak …

 

Verhoeven heeft nevenfuncties vervuld zowel als gastcolumnist bij het NRC en als docent bij verschillende cursussen. Toen hij al rechter-commissaris was heeft hij enige tijd elke drie à vier weken een column geschreven voor de digitale NRC: ‘Op een gegeven moment werd ik daar op aangesproken, want de vrijheid van meningsuiting geldt niet onbeperkt voor rechters. Dit was mede het gevolg van de redactie die een zinsnede uit mijn column haalde en als pakkende titel erboven plaatste. Op een gegeven moment heb ik gezegd: “Ik wil nog wel schrijven, maar alleen als ik zelf de kop mag bepalen.” Maar ja, van koppen maken heb ik geen verstand, en de krant zoekt toch iets dat pakt. Het was jammer om te stoppen, want het was leuk om te doen maar ik merkte ook dat er allerlei suggesties binnenkwamen van onderwerpen waarover ik wel even wat kon schrijven. Het is mij toen wel duidelijk geworden dat de vrijheid van meningsuiting als rechter toch redelijk beperkt is.’

 

Verhoeven geeft daarnaast ook veel onderwijs, onder meer voor OSR: ‘Dat vind ik hartstikke leuk. Bijvoorbeeld het onderwijs voor de bewindvoerdersopleiding. Dat begint met hele basale vragen, want er zijn zo veel zaken waarbij je de vraag kunt stellen waarom doe je dat toch? Dan moet je uitleggen waarom het zo is. Dat houd je ook heel erg bij de les.’ Tegelijkertijd leer je er zelf ook van, vindt hij: ‘Je hoort bij de cursus iedere keer weer de nieuwste verhalen. En dan denk je: nou, ik ben nu al een tijdje bezig, ik dacht dat ik het allemaal wel een keer gezien had, maar dan komt er toch weer een interessante casus voorbij.’

 

Het zijn vaak landelijke cursussen waar Verhoeven bij is: ‘Een paar weken geleden was de actualiteitencursus, dat ging over een moratorium van zes maanden en let op, dat is niet te verlengen. Als je wilt verlengen moet je een voorlopige voorziening geven, maar dat is voor een vrij korte periode van drie maanden, daarna houdt het echt op.’ Bij deze laatste cursus begreep hij dat het ook anders kan: ‘Dan hoor je dat het elders na dat het moratorium is afgelopen mogelijk was om opnieuw voor zes maanden een moratorium aan te vragen.’ Al kan dat volgens Verhoeven niet, het gebeurt dan blijkbaar toch. ‘Het eerste uur zit iedereen braaf te luisteren. Dan stelt af en toe iemand een vraag. In de pauze krijg je dan de mooiste verhalen, dan komen de parels voorbij.’

 

11. Tot slot: een blik terug en een blik vooruit

 

‘Een van mijn eerste grote faillissementen was Van Heek-Scholco te Losser. Daar zaten zes banken – waaronder één Duitse – in met allerlei kredieten en waren twee curatoren aangesteld.’ Dat bedrijf moest doordraaien waarvoor ook boedelkredieten geregeld moesten worden. De banken en de curatoren kwamen er niet uit. Op een avond werd er een bijeenkomst belegd van alle betrokken banken.

 

‘En toen zeiden de curator: dat daar is de rechter-commissaris, die beslist hierover. Er zat geen enkele schot in die zaak totdat één van de curatoren een perfecte Bob de Rooij-imitatie gaf [voor de jonge lezers: dat was in de jaren 90 een typetje van Paul de Leeuw] – en zei dat die banken gewoon moesten gaan betalen.’ Dat maakte indruk, vertelt Verhoeven: ‘Je zag die banken denken zitten van: “Mijn hemel, wij zitten hier met tientallen miljoenen in en dit is de gek geworden curator die er zit voor onze belangen.”’ Verhoeven herinnert dat de andere curator op een gegeven moment tegen zijn collega zei: ‘“Ga jij nou eens een sigaretje roken?’ Dat was echt good cop, bad cop. Toen was het ineens snel geregeld, dat vond ik fascinerend.’

 

Verhoeven ziet de legeboedelproblematiek als een serieus probleem: ‘Als jullie mij vragen wat niet goed functioneert in het insolventierecht, dan vind ik vooral dat er snel iets moet gebeuren aan die lege boedels. Ik denk dat als je dat aanpakt, dat je meer mensen de gelegenheid geeft om erin te springen terwijl ze het nu vaak maar laten liggen. Nee, ik ga je niet voor niks aan het werk zetten, et cetera. Daar moet echt iets voor worden geregeld.’

 

Verder wijst hij op de milieuproblematiek: ‘Maak daar voor mijn part rustig boedelschulden van met een bepaalde rangorde. Maar doe het niet zoals dat nu dreigt te gaan met lasten onder dwangsom en dergelijke drukmiddelen op de curator.’

 

Tot slot dient er wat hem betreft een verbod op de turboliquidatie te komen. ‘Of zeggen van: je mag het alleen doen als er geen baten en geen schulden zijn.’ Nu bedraagt het aantal turboliquidaties jaarlijks zo’n 40.000 gevallen, Verhoeven snapt dat het gevolg kan zijn dat er dan een spectaculaire stijging komt van het aantal faillissementen met lege boedels. Dat brengt hem bij een eerder punt: ‘Dat zal dan moeten worden opgevangen door een betere financiering van de lege boedels.’

 

[1] Volgens een interview met De Gelderlander van 11 januari 2026 verklaarde Verhoeven sinds 1994 meer dan duizend Twentse bedrijven failliet.

[2] HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3636 (Hoeksema q.q./R.M. Trade).

[3] Rb. Overijssel, zittingsplaats Almelo 2 november 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4574, JOR 2022/71, m.nt. J.B.A. Jansen. Hij eindigt zijn noot aldus: “het waren wel vier fantastische dagen”.

[4] C. Koppelman en M.M. Verhoeven, ‘De heruitvinding van het reservewiel, vierhoekig dit keer’, NJB 2025, aflevering 24, p. 1897.

[5] Zie voetnoot 4.

[6] HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1528, JOR 2025/251.

Keywords

Fraude
Lege boedelproblematiek
Rechter-commissaris
Toezicht
Turboliquidatie

Auteur(s)

Ton Tekstra

advocaat bij Blauw Tekstra Uding Advocaten en hoogleraar fiscaal insolventierecht Radboud Universiteit.

LinkedIn

Gert-Jan Boon

is a Researcher and Lecturer at Leiden University (the Netherlands).

LinkedIn

Jacky-Sophie van Maaswaal

Promovendus Universiteit Leiden

LinkedIn